Tema 3 - clase 9

1 / 17
volgende
Slide 1: Tekstslide
SpaansMiddelbare schoolhavoLeerjaar 2

In deze les zitten 17 slides, met interactieve quizzen en tekstslides.

time-iconLesduur is: 55 min

Onderdelen in deze les

Slide 1 - Tekstslide

Slide 2 - Tekstslide

Slide 3 - Tekstslide

Slide 4 - Tekstslide

Slide 5 - Tekstslide

Planificación: lunes 17 de marzo de 2025
1. Presencia + planificación
5 min
2. Repaso: vocabulario de la casa en hay
5 min
3. Gramática: tener que + infinitief
10 min
4. ¡En marcha!
20 min
5. Corregir
8 min
6. La próxima clase
2 min
Después de esta clase...
... heb je vocabulario van unidad 3 herhaald.
... heb je geleerd wat tener que + infinitief betekent en wanneer je dit gebruikt.
... heb je de kleuren in het Spaans geleerd/herhaald.

Slide 6 - Tekstslide

¿Qué significa "hay"?
A
er is, er zijn
B
er is (niet geen), er zijn (niet/geen)

Slide 7 - Quizvraag

¿Qué significa "el jardín"?
A
de tuin
B
het balkon

Slide 8 - Quizvraag

¿Qué significa "la silla"?
A
de tafel
B
de stoel

Slide 9 - Quizvraag

¿Qué significa "mi escritorio"?
A
mijn bureau
B
mijn bed

Slide 10 - Quizvraag

¿Qué significa "la mesa"?
A
de bank
B
de tafel

Slide 11 - Quizvraag

Tener:hebben
Tener: hebben
Yo
Él, ella, usted
 Nosotros
Vosotros
Ellos, ellas, ustedes
Tengo
Tienes
Tiene
Tenemos
Tenéis
Tienen

Slide 12 - Sleepvraag

Gramática: tener que + infinitief
Luister in stilte naar de uitleg en schrijf mee in je schrift!

Slide 13 - Tekstslide

Gramática: tener que + infinitief
¿Qué significa ...?
a) Tengo que estudiar.
  • Ik moet studeren.
b) Tenemos que escuchar.
  • Wij moeten luisteren.

Slide 14 - Tekstslide

¡En marcha!
Libro de trabajo (werkboek): página 59 ejercicios 1, 2 y 3 - página 62, ej. 8
Libro de texto (tekstboek): ej. 1 y 2, página 56

¿List@?
1. leer de woordjes van Unidad 3 
2. aan je eindproduct werken

Slide 15 - Tekstslide

Evaluación

¿Qué significa ...?
- lavar los platos
  • de vaat doen
- hacer la cama
  • het bed opmaken
- poner la mesa
  • de tafel dekken

- ordenar la habitación
  • de kamer opruimen
- sacar la basura
  • het vuilnis buiten zetten
- cocinar
  • koken
- pasar la aspiradora
  • stofzuigen

Slide 16 - Tekstslide

La próxima clase (mañana)
- herhalen vervoegen werkwoorden tegenwoordige tijd
- twee onregelmatige werkwoorden

Slide 17 - Tekstslide