Workshop Sovjet-Unie

Workshop Sovjet-Unie
1 / 35
volgende
Slide 1: Tekstslide

In deze les zitten 35 slides, met interactieve quizzen en tekstslides.

Onderdelen in deze les

Workshop Sovjet-Unie

Slide 1 - Tekstslide

Totalitaire staat
  • Interbellum: Opkomst van totalitaire staten
  • In een totalitaire staat heeft de overheid alle macht over het leven van de burgers

  • De drie belangrijkste:
  1. Sovjet-Unie (extreem-links)
  2. Italië (extreem-rechts)
  3. Duitsland (extreem-rechts)

    ... maar in het interbellum waren er in Europa nog veel meer totalitaire staten 

Slide 2 - Tekstslide

Bij welk bondgenootschap hoorde Rusland in 1914?
A
Centralen
B
Geallieerden
C
As landen
D
NAVO

Slide 3 - Quizvraag

Wanneer was de Russische Revolutie?
A
1914
B
1916
C
1917
D
1918

Slide 4 - Quizvraag


Wie was er aan de macht voor de Russische Revolutie? *
A
Lenin
B
Tsaar Nicolas II
C
Raspoetin
D
De Voorlopige Regering

Slide 5 - Quizvraag

Waarom in Rusland?
  • Tsaar Nicolaas II had alle macht 
  • Grootste deel van de bevolking arm (boeren, arbeiders) 
  • WO I verliep heel slecht voor Rusland, grote nederlagen 
  • Winter 1916-1917: hongersnood => stakingen en demonstraties => tsaar doet afstand van de troon -> Februarirevolutie

Slide 6 - Tekstslide

Voorlopige regering en Sovjets
  • Macht komt in handen van een groep gematigde communisten => de Voorlopige Regering (Mensjewieken).
  • oprichting van raden (sovjets) voor het besturen van fabrieken, wijken, dorpen etc. 
  • Voorlopige Regering heeft moeite zaken op orde te krijgen:
    Fanatieke communisten (Bolsjewieken) plegen in november 1917 een staatsgreep en nemen de macht over: Oktoberrevolutie.

Slide 7 - Tekstslide

Nieuwe leider: Lenin

Slide 8 - Tekstslide

Rusland, 1 feb 1918

Slide 9 - Tekstslide

Gevolgen
  • Alle bedrijven in de Sovjet-Unie worden overgenomen door de staat.
  • Edelen en rijken vluchten het land uit.  
  • Vrede van Brest-Litovsk: groot gebied verloren.
  • Tot 1922 burgeroorlog:   Oorlogscommunisme (tot 1921): Staat doet alles om de burgeroorlog te winnen... 
  • Nieuwe Economische Politiek
  • De Sovjet-Unie wordt een totalitaire staat 

Slide 10 - Tekstslide

Lenin
Onder Lenin begin totalitaire staat:
  • Geheime politie (NKVD)
  • Terreur en ‘zuiveringen’ 
  • Strafkampen voor tegenstanders (later: Goelag)

Lenin overlijdt in 1924. Er volgt een strijd om de opvolging... 

Slide 11 - Tekstslide

Vragen?

Slide 12 - Tekstslide

Wie kwamen na de Russische Revolutie van 1917 in Rusland aan de macht? *
A
kapitalisten
B
communisten
C
fascisten
D
nationaalsocialisten

Slide 13 - Quizvraag

Wie was in Rusland de leider van de communisten tijdens de Russische Revolutie?
A
Chroesjtsjov
B
Gorbatsjov
C
Lenin
D
Stalin

Slide 14 - Quizvraag

Welke bewering over de Russische revolutie is NIET waar?
A
Voor de revolutie was de Tsaar aan de macht
B
Door de revolutie kwam Lenin aan de macht
C
Voor de revolutie was iedereen gelijk
D
Lenin maakte Rusland communistisch

Slide 15 - Quizvraag

Stalin
  • Volgt Lenin op na machtsstrijd 
  • Vertrouwt niemand
  • Periode van enorme terreur, ook wel ‘grote zuiveringen’ => ook binnen communistische partij en geheime politie
  • Miljoenen mensen ten onrechte opgepakt, gemarteld, gedood en naar de Goelag verbannen. 

Slide 16 - Tekstslide

Showprocessen
  • Uniek kenmerk voor Sovjet-Unie: showprocessen => gefilmde neprechtszaken waarin tegenstanders zichzelf moeten beschuldigen van hele erge misdaden.
  • Iedereen kon opgepakt worden, er was totale willekeur 
  • Familie en vrienden lieten je direct vallen om zelf veilig te blijven 

Slide 17 - Tekstslide

Slide 18 - Tekstslide

Slide 19 - Tekstslide

Slide 20 - Tekstslide

Vragen?
log in!

Slide 21 - Tekstslide


Stalin organiseerde showprocessen. Welke reden had hij daarvoor?

A
Zo liet hij zien dat hij beter was dan Lenin, die mensen zonder proces in strafkampen liet opsluiten.
B
Dankzij de showprocessen werd duidelijk dat de planeconomie goed werkte.
C
Dankzij de showprocessen leek het alsof er in de Sovjet-Unie een eerlijke rechtspraak was.
D
Door de showprocessen werd Stalin steeds populairder, ook bij zijn tegenstanders.

Slide 22 - Quizvraag

hoe heet de periode waarin Stalin hardhandig afrekende met zijn (vermeende) tegenstanders?
A
De Russische Revolutie
B
De Moskou episode
C
de Grote Terreur
D
de NKVD

Slide 23 - Quizvraag

Wat bedoelen we met 'Goelag'?
*
A
Dit is een ander woord voor de Grote Terreur van Stalin
B
Hiermee worden alle showprocessen bedoelt
C
Stalin zijn autobiografie
D
Een (afgelegen) werkkamp onder Stalin en de overheidsdienst die deze kampen bestuurde

Slide 24 - Quizvraag

Planeconomie

Onder Stalin invoering van een planeconomie: 
  • overheid bepaalt wat er in een land geproduceerd moet worden 
  • Iedere fabriek krijgt te horen wat er gemaakt moet worden in 5 jaar. 
  • Onuitgesproken regel: je moet je doel eerder halen en met veel meer dan bepaald is

Slide 25 - Tekstslide

Collectivisatie
  • Boerderijen worden samengevoegd (= collectief) tot grote landbouwbedrijven (kolchoz)  => dit gebeurt niet vrijwillig...
  • Moeten grote hoeveelheden produceren voor de export => leidt tot hongersnoden.  
  • Oekraïne: ongeveer 7,5 miljoen doden door honger: Holodomor.

Slide 26 - Tekstslide

Mensen die honger hebben worden als verraders naar de Goelag gestuurd...
Door hen lijkt de Soviet-Unie immers minder groots...

Slide 27 - Tekstslide

Persoonsverheerlijking

  • Om het volk te laten zien dat hij de beste leider voor het beste volk, in het beste land was, liet Stalin zich graag afbeelden als een geweldige leider: 
  •  een vader voor het volk.
  • Dit heet persoonsverheerlijking (overal beelden, portretten van Stalin) en is een speciale vorm van propaganda

Slide 28 - Tekstslide

Vragen?

Slide 29 - Tekstslide

Het opstellen van vijfjarenplannen hoort bij...
A
nieuwe economische politiek
B
de planeconomie
C
collectivisatie
D
zuiveringen

Slide 30 - Quizvraag

Welke kenmerken van het stalinisme zijn te herkennen op het plaatje?
A
censuur en collectivisatie
B
collectivisatie en persoonsverheerlijking
C
persoonsverheerlijking en terreur
D
terreur en censuur

Slide 31 - Quizvraag

Welke begrippen passen bij het dagboekfragment?
A
censuur en persoonsverheerlijking
B
censuur en zuiveringen
C
showprocessen en persoonsverheerlijking
D
showprocessen en zuiveringen

Slide 32 - Quizvraag

Kies de juist volgorde
A
Lenin, Stalin, Nicolaas II
B
Nicolaas II, Lenin, Stalin
C
Stalin, Lenin, Nicolaas II
D
Nicolaas II, Stalin, Lenin

Slide 33 - Quizvraag

Welk woord hoort niet bij het plaatje?
A
Indoctrinatie
B
Propaganda
C
Persoonsverheerlijking
D
Collectivisatie

Slide 34 - Quizvraag


Welk kenmerk van Stalinisme herken je in de bron hiernaast?
*
A
Censuur
B
Persoonsverheerlijking
C
Propaganda
D
Showprocessen

Slide 35 - Quizvraag