Examentraining Nederlands les 2 - Begrippen leesvaardigheid

Examentraining Nederlands
1 / 22
volgende
Slide 1: Tekstslide
NederlandsMiddelbare schoolvmbo tLeerjaar 4

In deze les zitten 22 slides, met interactieve quizzen, tekstslides en 1 video.

time-iconLesduur is: 60 min

Onderdelen in deze les

Examentraining Nederlands

Slide 1 - Tekstslide

Vragen
1.  Wat zijn signaalwoorden? 
2. Wat is een kernzin uit in een alinea?
3. Wat is de hoofdgedachte van een tekst? 
4. Heeft een samenvatting voorbeelden?
5. Hoe moet ik een stukje tekst citeren? 
timer
0:45

Slide 2 - Tekstslide

Lesdoelen
- Je weet aan het einde van deze les meer over signaalwoorden.
- Je weet aan het einde van deze les meer over een hoofdgedachte en een kernzin uit een tekst.
- Je weet aan het einde van deze les meer over wat belangrijk is bij het maken van een samenvatting.
- Je weet aan het einde van de les van een aantal begrippen die vaak op een examen terugkomen de betekenis.

Slide 3 - Tekstslide

Welke type woorden zijn belangrijk voor leesvaardigheid?
A
werkwoorden
B
signaalwoorden
C
voegwoorden
D
verwijswoorden

Slide 4 - Quizvraag

Welk woord geeft vaak een conclusie aan?
A
maar
B
en
C
dus
D
kortom

Slide 5 - Quizvraag

Welk woord geeft een tegenstelling aan?
A
ook
B
daardoor
C
zoals
D
maar

Slide 6 - Quizvraag

Welk woord geeft een opsomming aan?
A
ook
B
bijvoorbeeld
C
daarentegen
D
omdat

Slide 7 - Quizvraag

Wat is de kernzin van een alinea?
A
Een zin met voorbeelden
B
Een zin met de mening van de schrijver.
C
De belangrijkste zin met de meeste informatie.
D
Een zin die toelichting geeft.

Slide 8 - Quizvraag

Wat is een hoofdgedachte van een tekst?
A
De kernzin van een alinea
B
Een conclusie van de tekst
C
In een zin aangegeven wat het onderwerp is van de tekst
D
verschillende deelonderwerpen bij elkaar

Slide 9 - Quizvraag

Bij citeren moet je iets letterlijk overnemen. Je kunt de hele zin overschrijven. Wat mag je ook doen?

Slide 10 - Open vraag

Wat betekent: citeer het zinsgedeelte?
A
Hetzelfde als een hele zin
B
een groepje woorden
C
een gedeelte van een alinea
D
een deel van de zin

Slide 11 - Quizvraag

Waar of niet waar: in een samenvatting staan voorbeelden?
A
niet waar
B
waar

Slide 12 - Quizvraag

Waar of niet waar: in een samenvatting is een mening belangrijk?
A
waar
B
niet waar

Slide 13 - Quizvraag

Wat is bijna altijd het doel van de drie grote teksten?
A
amuseren
B
overtuigen
C
aansporen
D
informeren

Slide 14 - Quizvraag

Wat betekent het woord weerleggen?
A
een argument geven
B
een mening geven
C
bewijzen dat het niet klopt
D
een nieuw deelonderwerp

Slide 15 - Quizvraag

Wat betekent het woord nuanceren?
A
afzwakken
B
erger maken
C
opschrijven
D
letterlijk overnemen

Slide 16 - Quizvraag

Wat betekent het woord standpunt?
A
een feit
B
een mening
C
einddoel
D
een grappig verhaaltje

Slide 17 - Quizvraag

Wat is een anekdote?
A
een film
B
een interview
C
een grappig verhaaltje
D
een vragenlijst

Slide 18 - Quizvraag

Wat betekent het woord constatering?
A
De schrijver merkt iets op.
B
De schrijver heeft iets opgezocht.
C
De schrijver geeft een samenvatting.
D
De schrijver twijfelt aan iets.

Slide 19 - Quizvraag

Welk verband hoort bij de volgende zin: De oogst is mislukt, doordat het al maanden ontzettend heet is.
A
gevolg - oorzaak
B
oorzaak - gevolg
C
middel - doel
D
uitspraak - voorbeeld

Slide 20 - Quizvraag

Belangrijke tip!
Al laatste een video met belangrijke tips voor je examen Nederlands op gebied van leesvaardigheid.

Slide 21 - Tekstslide

Slide 22 - Video