Grammar demonstrative determiners & have to

Welcome!
1 / 29
volgende
Slide 1: Tekstslide
EngelsMiddelbare schoolvmbo lwoo, mavoLeerjaar 2

In deze les zitten 29 slides, met interactieve quizzen en tekstslides.

Onderdelen in deze les

Welcome!

Slide 1 - Tekstslide

What do you already know about: this, that, these, those?

Slide 2 - Woordweb

This, That, These, Those
Je gebruikt this en that voor een enkelvoud.
This voor dichtbij. That voor ver weg.

Slide 3 - Tekstslide

This, That
Je gebruikt this en that voor een enkelvoud. 
This voor dichtbij. That voor ver weg.
This man here invented the lightbulb.  


That woman over there invented the ice cream maker. 

Slide 4 - Tekstslide

These, Those
Je gebruikt these en those voor meervouden.
These voor dichtbij. Those voor ver weg.

Slide 5 - Tekstslide

These, Those
Je gebruikt these en those voor meervouden.
These voor dichtbij. Those voor ver weg.

These inventions here are all very important. 

Those papers over there were printed by 
the printing press. 

Slide 6 - Tekstslide

In summary


This man here invented the lightbulb.
That woman over there invented the ice cream maker. 
These inventions here are all very important.
Those papers over there were printed by the printing press. 

Slide 7 - Tekstslide

Testing your knowledge

Slide 8 - Tekstslide

Should we go to ___ restaurant over there?
A
This
B
That
C
These
D
Those

Slide 9 - Quizvraag

___ machines over there produce fabric.
A
This
B
That
C
These
D
Those

Slide 10 - Quizvraag

Do you know ___ people here?
A
This
B
That
C
These
D
Those

Slide 11 - Quizvraag

Aan de slag
Wat: Maak het werkblad over this, that, these, those.
Hoe: individueel, vul de antwoorden in op het werkblad
Hulp: je buur, de docent
Tijd: 5 minuten
Uitkomst: Je hebt geoefend met opdrachten over this, that, these, those.
Klaar?: Schrijf je eigen zinnen met this, that, these of those erin. 

Slide 12 - Tekstslide

Discussing the answers

Slide 13 - Tekstslide

Discussing the answers
1. Those
2. That
3. This
4. This
5. That
6. That
7. That

Slide 14 - Tekstslide

Discussing the answers
1. Those
2. That
3. This
4. This
5. That
6. That
7. That
8. This
9. That
10. Those
11. These
12. Those
13. These
14. This
15. Those

Slide 15 - Tekstslide

Slide 16 - Tekstslide

Slide 17 - Tekstslide

What do you already know about sentences with have to?

Slide 18 - Woordweb

Have to
Je gebruikt have to + hele werkwoord wanneer je iets moet doen.

Je gebruikt have to + hele werkwoord + een vorm van not en to do wanneer iets niet hoeft.

Slide 19 - Tekstslide

Have to
Je gebruikt have to + hele werkwoord wanneer je iets moet doen.
- Ian has to clean up after the party.

Je gebruikt have to + hele werkwoord + een vorm van not en to do wanneer iets niet hoeft.
- You don't have to do this if you don't want to.

Slide 20 - Tekstslide

Testing your knowledge

Slide 21 - Tekstslide

She ___ __ clean her room.
A
Has to
B
Have to

Slide 22 - Quizvraag

I __ __ __ to clean anything (not)
A
do not
B
do not have
C
don't have
D
don't

Slide 23 - Quizvraag

Aan de slag
Wat: Maak het werkblad over this, that, these, those.
Hoe: individueel, vul de antwoorden in op het werkblad
Hulp: je buur, de docent
Tijd: 10 minuten
Uitkomst: Je hebt geoefend met opdrachten over this, that, these, those.
Klaar?: Schrijf 5 zinnen over wat je op een gewone dag moet doen waarin je have to gebruikt.
Aan de slag
Wat: Maak het werkblad over zinnen met have to.
Hoe: individueel, vul de antwoorden in op het werkblad
Hulp: je buur, de docent
Tijd: 7 minuten
Uitkomst: Je hebt geoefend met het gebruiken van have to in zinnen.
Klaar?: Schrijf 5 zinnen over wat je op een gewone dag moet doen waarin je have to gebruikt.

Slide 24 - Tekstslide

Discussing the answers

Slide 25 - Tekstslide

Discussing the answers
1.  have to wake up
2. have to make 
3. has to clean
4. has to do
5. have to go
6. have to tidy
7. has to cook

Slide 26 - Tekstslide

Discussing the answers
1.  have to wake up
2. have to make 
3. has to clean
4. has to do
5. have to go
6. have to tidy
7. has to cook
8. have to wash
9. has to empty
10. have to get up
11. have to clean
12. have to brush
13. have to do
14. has to speak

Slide 27 - Tekstslide

Discussing the answers
1. Doesn't / does not have to have
2. Don't / do not have to go
3. Doesn't / does not have to go
4. Doesn't / does not have to tidy
5. Don't / do not have to have
6. Don't / do not have to do
7. Don't / do not have to watch

Slide 28 - Tekstslide

What sentences did you write down?

Slide 29 - Woordweb