Erfelijkheid&evolutie 5.7 Transcriptie + 5.8 Dominant en recessief

Thema 5 

Erfelijkheid en evolutie


B7 Transcriptie
+
B8 Dominant en recessief

1 / 32
volgende
Slide 1: Tekstslide
BiologieMiddelbare schoolhavo, vwoLeerjaar 2

In deze les zitten 32 slides, met interactieve quizzen, tekstslides en 1 video.

time-iconLesduur is: 45 min

Onderdelen in deze les

Thema 5 

Erfelijkheid en evolutie


B7 Transcriptie
+
B8 Dominant en recessief

Slide 1 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Wat gaan we doen?
  • Herhalen
  • Uitleg B7 Transicriptie
  • Uitleg B8 Dominant en recessief
  • Opdrachten B7+ B8
  • Afsluiten

Slide 2 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Leerdoelen B7

5.7.13 Je kunt benoemen hoe transcriptie en eiwitsynthese plaatsvinden in de cel.

5.7.14 Je kunt uitleggen dat de genetische variatie toeneemt door spontane mutaties.

Slide 3 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Genexpressie
Genexpressie = het tot uiting komen van een gen, 'kan aan of uit staan'.

DNA-sequentie = volgorde van de basen in het DNA, bevat de informatie voor het maken van een specifiek eiwit.


Genexpressie
-Expressie verschillend per cel
-Afhankelijk van de functie van de cel
DNA-sequentie
-De DNA-sequentie van een gen bevat info voor de productie van een specifiek eiwit
Voorbeeld
-Gen bevat code voor melanine productie
-In een cel in de iris van een oog staat dit gen aan
-informatie op dit gen wordt afgelezen -> melanine productie
bruin = meer melanine
blauw = weinig melanine

Slide 4 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Eiwitsynthese
DNA-sequentie is 'recept' voor eiwit
RNA = gekopieerd stukje DNA
Transcriptie = vorming van RNA
RNA brengt informatie naar ribosoom -> code vertaald naar eiwit
Eiwitsynthese = het maken van een eiwit 

Waar gebruikt je lichaam eiwitten voor?


synthese = samenstellen
Eiwitsynthese
Genexpressie maakt het mogelijk dat een cel verschillende eiwitten kan maken op het moment dat deze nodig zijn
Functie eiwit lichaam
Bouwstof en brandstof
Antistof
Hormoon
Enzym

Slide 5 - Tekstslide

brandstof, maar vooral bouwstof
-functies als: hormoon, enzym of antistof
Gunstige mutaties?
mutatie = verandering van het genotype
negatief: ziektes, afwijkingen

Door spontane (erfelijke) mutaties genetische variatie in nakomelingen neemt toe (positief)
= gunstig voor de overlevingskans van een populatie!

Geslachtelijke voortplanting & spontane mutaties zorgen voor variatie in genotype & fenotype!

Voordelige mutatie
-Als de omstandigheden veranderen is een organisme met mutatie misschien beter aangepast t.o.v. soortgenoten
bijv: witte vacht in de sneeuw, donkere huid bij felle zon, extra lange nek bij giraffen 


Slide 6 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Genexpressie
Transcriptie
RNA
Gen
DNA-sequentie
Een gekopieerd stukje DNA
Stukje DNA met informatie voor 1 bepaalde eigenschap
De vorming van RNA
De volgorde van basen in het DNA
Het tot uiting komen van een gen

Slide 7 - Sleepvraag

Deze slide heeft geen instructies

Wat is een mutatie?
A
Een virus die een bacterie binnendringt
B
Plotselinge verandering van het DNA
C
Een gen die niet werkt
D
Plotselinge verandering van het fenotype

Slide 8 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Leerdoel B8
5.8.15 Je kunt omschrijven wat homozygoot, heterozygoot, dominant en recessief betekenen.
En je kunt een kruisingsschema maken, aflezen en uitleggen.

Slide 9 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Slide 10 - Video

Deze slide heeft geen instructies

Chromosomenparen & genenparen
Je hebt chromosomen in paren. 1 van je vader en 1 van je moeder. 

Maar je hebt dus ook genenparen; 

Het gen van de vader en het gen van de moeder vormen samen een genenpaar.

Slide 11 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Homozygoot & heterozygoot
  • Per eigenschap heb je dus 2x informatie op het gen staan -> allelen
  • Is deze informatie gelijk, dan ben je homozygoot voor deze eigenschap. (voorbeeld gen B)
  • Is deze informatie op het gen ongelijk, dan ben je heterozygoot voor deze eigenschap (voorbeeld gen A)


Slide 12 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies


2 dezelfde allelen              2 verschillende allelen

Slide 13 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Dominant of recessief
  • Het gen dat het sterkst is, bepaalt welke eigenschap jij krijgt. 
  • Dat gen noem je dominant. bijv. haarkleur zwart is dominant over blond.
  • De eigenschap die niet zichtbaar wordt, noem je recessief.  


Slide 14 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Gensymbolen
Eigenschappen (bijv. haarkleur) benoem je met een letter. 
  • Dominante eigenschappen krijgen een HOOFDLETTER
    (A)
  • Recessieve eigenschappen krijgen een kleine letter
    (a)

2 dezelfde letters - homozygoot (- AA of aa)
2 verschillende letters - heterozygoot (- Aa)

Slide 15 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Voorbeeld
Wanneer iemand het dominante gen A heeft, zal deze persoon zwart haar hebben. 
We noteren dit als:
  • A = zwart haar = dominant
  • a = blond haar = recessief

Ook als hij heterozygoot (Aa) is heeft hij zwart haar. 
Het gen voor zwart haar is dominant

Slide 16 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Gensymbolen (genotype)
Als je homozygoot bent voor deze eigenschap heb je dus:
- of AA (fenotype zwart haar)   - of aa (fenotype blond haar)
Als heterozygoot heb je dan:  - Aa (fenotype zwart haar)

Slide 17 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Beide homozygoot

Slide 18 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Slide 19 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Slide 20 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Slide 21 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Slide 22 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Slide 23 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Slide 24 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Zelfstandig aan de slag
  • Maak opdrachten B7 - 1 t/m 4
  • Maak opdrachten B8 - 1 t/m 3 
  • Kijk de opdrachten na met het antwoordboek 
  • Oefen de flitskaarten of leer de begrippen uit je boek



Slide 25 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Je hebt het genotype en het fenotype.
Wat wordt bedoeld met het genotype?
A
De erfelijke informatie op je chromosomen
B
Hoe je eruit ziet

Slide 26 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Een allel is een variant van een.......
A
basepaar
B
nucleotide
C
gen
D
chromosoom

Slide 27 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Een cavia is heeft voor haarkleur als genotype "AA"
Deze cavia is voor deze eigenschap....
A
homozygoot dominant
B
homozygoot recessief
C
heterozygoot

Slide 28 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Zwarte vachtkleur is dominant over roodbruin. Wat is het genotype van deze koe?
A
AA
B
Aa
C
aa
D
Is niet te zeggen

Slide 29 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Zwarte vachtkleur is dominant over roodbruin. Wat is het genotype van deze koe?
A
AA
B
Aa
C
aa
D
Is niet te zeggen

Slide 30 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Bij cavia's is kort haar (R) dominant over lang haar (r)

-Wat is het genotype van een cavia met lang haar?
A
RR
B
rr
C
Rr

Slide 31 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Bij cavia's is kort haar (R) dominant over lang haar (r)

- Welke genotypen kan een cavia met kort haar hebben?
A
RR of Rr
B
rr of Rr
C
Rr

Slide 32 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies