Irregular verbs quizzzz (p. 185)

1 / 34
volgende
Slide 1: Tekstslide
EngelsMiddelbare schoolvmbo k, g, tLeerjaar 3

In deze les zitten 34 slides, met interactieve quizzen en tekstslides.

time-iconLesduur is: 15 min

Onderdelen in deze les

Slide 1 - Tekstslide

 Irregular verbs
There are no rules for the irregular verbs, you just have to learn them by heart

So now a little quiz:

Slide 2 - Tekstslide

Instructions
Er zijn 3 rondes met verschillende vragen over de onregelmatige ww. 
Ronde 1: Kies het juiste antwoord (meerkeuze vragen)                                
Ronde 2: Type het ontbrekende woord                                                                 
Ronde 3: Type alle 3 vormen van het ww. (steeds een middenstreepje ertussen)

Slide 3 - Tekstslide

Ronde 1
Good luck!

Slide 4 - Tekstslide

zeggen = to say - .................. - said
A
sayed
B
sad
C
sayt
D
said

Slide 5 - Quizvraag

verlaten = to leave - left - ................
A
leave
B
leaved
C
left
D
lefd

Slide 6 - Quizvraag

schudden = to shake - .............. - shaken
A
shake
B
shoke
C
shaked
D
shook

Slide 7 - Quizvraag


verliezen = to lose - ................. - lost
A
loose
B
loost
C
loos
D
lost

Slide 8 - Quizvraag


rijden = to ride - ................ - ridden
A
ride
B
rode
C
rid
D
rod

Slide 9 - Quizvraag


zingen =
A
to sing-sung-sung
B
to sing-sang-sung
C
to sing-sang-sang
D
to sing-sanged-sunged

Slide 10 - Quizvraag


denken =
A
to think-thank-thunk
B
to think-thaught-thaught
C
to think-tought-tought
D
to think-thought-thought

Slide 11 - Quizvraag


dragen =
A
to wear - weard - weard
B
to wear - wore - worn
C
to wear - ware - warn
D
to wear - wore - warn

Slide 12 - Quizvraag


betalen =
A
to pay - payd - payd
B
to pay - paid - payd
C
to pay - paid - paid
D
to pay - payed - payed

Slide 13 - Quizvraag


winnen =
A
to win - wan - wan
B
to win - won - won
C
to win - winned - winned
D
to win - won - wan

Slide 14 - Quizvraag

Ronde 2:
Type het ontbrekende  woord!

Slide 15 - Tekstslide


schrijven = to write-wrote-.....

Slide 16 - Open vraag


staan = to stand - stood - ............

Slide 17 - Open vraag


liggen = to lie - lay - ............

Slide 18 - Open vraag


maken = to make - made - ............

Slide 19 - Open vraag


uitgeven = to spend - spent - ............

Slide 20 - Open vraag


verkopen = to sell - ............ - sold

Slide 21 - Open vraag


(vast)houden = to hold - ............ - held

Slide 22 - Open vraag


(op)stijgen = to rise - ............ - risen

Slide 23 - Open vraag


nemen = to take - ............ - taken

Slide 24 - Open vraag


rennen = to run - ............ - run

Slide 25 - Open vraag

Ronde 3:
Nu alle 3 vormen invullen

Vb. doen = ?
Vul in:    to do-did-done

Slide 26 - Tekstslide

Vul in:
weten;kennen = _____-_____-_____

Slide 27 - Open vraag

Vul in:
bellen = _____- _____-______

Slide 28 - Open vraag

Vul in:
spreken = ____-____-____

Slide 29 - Open vraag

Vul in:
lezen = ____-____-____

Slide 30 - Open vraag

Vul in:
iemand iets leren = _____-_____-_____

Slide 31 - Open vraag

Vul in:
gooien = _____- _____-______

Slide 32 - Open vraag

Vul in:
vertellen = _____- _____-______

Slide 33 - Open vraag

End of this formative test
Your teacher is going to check your answers 
and after that you will get your results.

Slide 34 - Tekstslide