M/K 1 - week 10 = voca + chap 2. & chap 5.

Plattegrond ZM1B
1 / 40
volgende
Slide 1: Tekstslide
FransMiddelbare schoolvwoLeerjaar 1

In deze les zitten 40 slides, met interactieve quizzen en tekstslides.

time-iconLesduur is: 45 min

Onderdelen in deze les

Plattegrond ZM1B

Slide 1 - Tekstslide

Plattegrond ZM1A

Slide 2 - Tekstslide

Plattegrond ZK1B

Slide 3 - Tekstslide

Bonjour tout le monde ! 
Start klaar ?

  • Ga rustig op je vaste plek zitten.
  • Doe je jas en oortjes uit.
  • Doe je telefoon in het zakkie en in je tas.
  • Op tafel: laptop, etui, boek en jdw-map
  • Timer af: stoppen met praten & de les begint

timer
3:00

Slide 4 - Tekstslide

Présence (Aanwezigheid)
Tout le monde est présent?
(Is iedereen aanwezig?)

Slide 5 - Tekstslide

PO Leesvaardigheid
timer
30:00

Slide 6 - Tekstslide

Programme - semaine 10
Leerdoelen (les objectifs d'apprentissage)
Aan het einde van de les:
  • Kan ik de ontkenning gebruiken in het Frans.
  • Ken ik woorden over het thema eten en drinken.
  • Kan ik de passé composé begrijpen/gebruiken.
Voorkennis activeren
Vocabulaire 
Bron H
Exercices
Evaluatie


Slide 7 - Tekstslide

Overzicht
PO Leesvaardigheid: 10 maart in de les (in SOM)

Toetsweek: chapitre 2 (bron D en H) & chapitre 5 (bron D)





Slide 8 - Tekstslide

Wat moet ik leren voor PTO 2 ?
Hoofdstuk 2: Oh, c’est bon!

Vocabulaire: woordenlijst leçon 1 t/m 7 (in quizlet)
Link Quizlet: https://quizlet.com/user/JDW-FA/folders/m1-k1-periode-2-fr-nl?i=1fpsze&x=1xqt
 
Phrases-clés: bron C & G p.92
 
Grammaire: p.93
Het regelmatige werkwoord op -er (bron D p.72)
De ontkenning (bron H p.86-87)
+ de werkwoorden ‘avoir’ en ‘être’ (p.169)

Slide 9 - Tekstslide

Wat moet ik leren voor PTO 2 ?
Hoofdstuk 5: Entre copains (boek B)

Vocabulaire: woordenlijst leçon 1 t/m 7 (in quizlet)
Link Quizlet: https://quizlet.com/user/JDW-FA/folders/m1-k1-periode-2-fr-nl?i=1fpsze&x=1xqt

Phrases-clés: bron C & G p.44

Grammaire: p.45
De passé composé (bron D p.24-25)

Slide 10 - Tekstslide

Voorkennis activeren
Dernier cours ?


Slide 11 - Tekstslide

Herhaling
Vocabulaire leçon 1:
1. aimer: houden van
2. préférer: liever hebben
3. adorer: dol zijn op
4. détester: een hekel hebben aan
5. manger: eten

Slide 12 - Tekstslide

Herhaling
Vocabulaire leçon 2:
6. acheter: kopen 
7. préparer: voorbereiden, maken
8. tu veux: je wilt
9. aider: helpen
10. chercher: zoeken

Slide 13 - Tekstslide

Herhaling
Vocabulaire leçon 3:
11. trouver: vinden
12. regarder: kijken (naar)
13. demander: vragen
14. parler: praten
15. marcher: lopen

Slide 14 - Tekstslide

Herhaling
Vocabulaire leçon 4: 
16. entrer: binnenkomen
17. rester: blijven
18. refuser: weigeren
19. le rendez-vous: de afspraak
20. le magasin: de winkel

Slide 15 - Tekstslide

Vocabulaire leçon 5: 
21. la crêpe: de pannenkoek
22. le pain: het brood
23. le légume: de groente
24. le beurre: de boter
25. le repas: de maaltijd

Slide 16 - Tekstslide

Wat betekent:

le pain
A
het brood
B
fruit
C
eten
D
groente

Slide 17 - Quizvraag

Wat betekent:

trouver
A
denken
B
kopen
C
vinden
D
lopen

Slide 18 - Quizvraag

Wat betekent:

le magasin
A
de bakker
B
shoppen
C
de winkel
D
het huis

Slide 19 - Quizvraag

Wat betekent:

refuser
A
helpen
B
liever hebben
C
weigeren
D
houden van

Slide 20 - Quizvraag

Wat betekent:

le rendez-vous
A
de afspraak
B
vragen
C
uitgaan
D
het gesprek

Slide 21 - Quizvraag

Uitgangen werkwoorden - er
je
tu
il/elle/on
nous
vous
ils/elles
+ent
+ons
+es
+ez
+e
+e

Slide 22 - Sleepvraag

Gebruik de ontkenning:
Malak adore le foot.

Slide 23 - Open vraag

Gebruik de ontkenning:
Adam cherche son frère.

Slide 24 - Open vraag

Gebruik de ontkenning:
Yara joue avec Rihab.

Slide 25 - Open vraag

Is deze zin correct?
Yara ne joue pas avec Rihab.

Slide 26 - Open vraag

Is deze zin correct?

Yara ne joue pas avec Rihab.
A
Oui
B
Non

Slide 27 - Quizvraag

Vocabulaire leçon 6: 
26. beaucoup: veel
27. combien: hoeveel
28. mais: maar
29. et: en
30. l'argent: het geld
31. bon/bonne: goed
32. la boulangerie: de bakkerij

Slide 28 - Tekstslide

Vocabulaire leçon 7: 
33. calme: rustig
34. sportif: sportief
35. triste: triest
36. drÔle: grappig
37. timide: verlegen
38. un peu: een beetje
39. grand: groot
40. petit: klein

Slide 29 - Tekstslide

Chapitre 5

Slide 30 - Tekstslide

De passé composé (Bron D)






p.24-25

Slide 31 - Tekstslide

De passé composé (Bron D)






p.24-25

Slide 32 - Tekstslide

De passé composé (Bron D)






p.24-25

Slide 33 - Tekstslide

Exercices: de passé composé 
1. Welke zinnen staan in de passé composé?

a. J'aime la pizza.
b. Elle a adoré le magasin.
c. Sara et Lina ont cherché la boulangerie.
d. Vous avez refuser le rendez-vous.

Slide 34 - Tekstslide

Exercices: de passé composé 
2. Onderstreep het juiste antwoord dat in de passé composé staat.

a. Tu aimes / as aimé le magasin.
b. Elle  a détesté / déteste le légume.
c. Nous avons regardé / regardons le film.
d. Rayan achète / a acheté la playstation.

Slide 35 - Tekstslide

Exercices maken
  • Zelfstandig maken: 17 en 18 p.24-26

  • Déjà fini? (al klaar): vocabulaire leren



timer
10:00

Slide 36 - Tekstslide

Corriger les exercices 

Slide 37 - Tekstslide

Les devoirs pour le prochain cours...
Grandes Lignes - Chapitre 5:

  • Exercices: lezen bron B 
  • Apprendre vocabulaire: alles


Slide 38 - Tekstslide

Evaluatie
Noem 'deux mots' die je hebt onthouden uit de les.


Slide 39 - Tekstslide

Evaluatie

Wat heb je deze les geleerd? Heb je nog vragen?

Slide 40 - Open vraag