Voorbereiding kennisbanktoets periode 3

Voorbereiding kennisbanktoets
Vragen uit de instaptoetsen van
hoofdstukken 7, 8, 9, 10, 14, 15, 16 en 17
1 / 41
volgende
Slide 1: Tekstslide
Pedagogisch werkMBOStudiejaar 1

In deze les zitten 41 slides, met interactieve quizzen en tekstslide.

time-iconLesduur is: 60 min

Onderdelen in deze les

Voorbereiding kennisbanktoets
Vragen uit de instaptoetsen van
hoofdstukken 7, 8, 9, 10, 14, 15, 16 en 17

Slide 1 - Tekstslide

Wat zijn pedagogische vaardigheden?
A
Vaardigheden die in de kinderopvang worden ingezet om kinderen te verzorgen.
B
Vaardigheden die ouders gebruiken om hun kind op te voeden.
C
Vaardigheden die je als opvoeder gebruikt waardoor het kind zich zo goed mogelijk kan ontwikkelen
D
Vaardigheden die je in het onderwijs inzet om goed les te kunnen geven.

Slide 2 - Quizvraag

Wat wordt bedoeld met de leefwereld van het kind?
A
De thuissituatie van een kind.
B
De wereld waarin een kind leeft.
C
De dingen die een kind interessant vindt.
D
De waarden en normen die een kind thuis meekrijgt.

Slide 3 - Quizvraag

Wat gebeurt er als je een kind onvoldoende aandacht geeft?
A
Het kind kan zich dan terugtrekken of juist om aandacht vragen. Vaak niet op een positieve manier.
B
Het kind kan dan onzeker worden.
C
Het kind kan dan moeilijker relaties aangaan.
D
Het kind kan dan vervelend gedrag gaan vertonen.

Slide 4 - Quizvraag

Wat is de belevingswereld van een kind?
A
De thuissituatie van een kind.
B
De manier waarop een kind de wereld om zich heen beleeft.
C
De waarden en normen die een kind thuis meekrijgt.
D
De manier waarop ouders/opvoeders met een kind omgaan.

Slide 5 - Quizvraag

Op welke manier kun je kindgericht werken?
A
Door aan te sluiten bij de leefwereld en de belevingswereld van een kind.
B
Door aan te sluiten op de ontwikkeling en behoeften van het kind.
C
Door de juiste pedagogische vaardigheden in te zetten.
D
Alle bovenstaande antwoorden zijn juist.

Slide 6 - Quizvraag

Wat is het doel van opvoeden?
A
Een kind waarden en normen bijbrengen.
B
Een kind de juiste scholing meegeven.
C
Een kind begeleiden in zijn ontwikkeling in de richting van de volwassenheid.
D
Een kind sociale vaardigheden aanleren.

Slide 7 - Quizvraag

. Wat wordt bedoeld met een materiële beloning?
A
Een beloning in de vorm van een cadeautje.
B
Een beloning in de vorm van een compliment.
C
Een beloning in de vorm van activiteiten.
D
Een beloning in de vorm van iets dat een kind leuk vindt.

Slide 8 - Quizvraag

.Wat zijn opvoedingsvaardigheden?
A
De dingen die het kind doet waardoor de opvoeding soepel verloopt.
B
Middelen en handelingen die een ouder/opvoeder inzet om de opvoeding zo goed mogelijk te kunnen laten verlopen.
C
Alle vaardigheden die een pedagogische medewerker inzet in het werken met kinderen.
D
Alle kennis die je opdoet over opvoeding tijdens de opleiding.

Slide 9 - Quizvraag

Welke opvoedingsstijl hebben ouders/opvoeders wanneer ze streng opvoeden?
A
Autoritaire opvoedingsstijl
B
Autoritatieve of democratische opvoedingsstijl.
C
Permessieve (toegevende) of laissez-faire opvoedingsstijl.
D
. Verwaarlozende opvoedingsstijl.

Slide 10 - Quizvraag

Wat zijn routines?
A
De manier waarop je omgaat met regels.
B
Stappenplannen over hoe je iets aanpakt.
C
Regelmaat in je handelen
D
Vaste, steeds terugkerende handelingen.

Slide 11 - Quizvraag

Wat is interactie?
A
De manier waarop anderen op je reageren.
B
Een vorm van communicatie.
C
De wisselwerking tussen personen die op elkaar reageren door middel van communicatie.
D
Een manier van spreken.

Slide 12 - Quizvraag

Wat is de basis voor de ontwikkeling van een kind?
A
Het bieden van een gevoel van veiligheid.
B
Veel structuur en overzicht.
C
Stellen van strenge regels.
D
Veel overleg met het kind.

Slide 13 - Quizvraag

Wat wordt er bedoeld met autonomie?
A
Dat je het recht hebt om zelf te bepalen wie je bent en wat je doet (of niet doet).
B
Dat je zelfverzekerdheid uitstraalt.
C
Dat je motorisch goed ontwikkelt.
D
Dat je op zoek bent naar wie je bent.

Slide 14 - Quizvraag

Wat is het doel van het bieden van structuur?
A
Het kind weet dan wat het wel en niet mag.
B
Het kind heeft dan houvast.
C
Het vergroot het gevoel van veiligheid en zekerheid bij het kind.
D
Alle bovenstaande antwoorden zijn juist.

Slide 15 - Quizvraag

Wat wordt bedoeld met een positief groepsklimaat?
A
Een ruimte waarin de temperatuur optimaal is.
B
Een groep waarin kinderen altijd positief op elkaar reageren.
C
Een groep waarin kinderen zich veilig voelen.
D
Een ruimte waar alles gericht is op de kinderen.

Slide 16 - Quizvraag

Welke vijf fases horen bij groepsvorming?
A
Oriëntatiefase, conflictfase, integratiefase, uitvoeringsfase en evaluatiefase.
B
. Oriëntatiefase, conflictfase, integratiefase, uitvoeringsfase en eindfase/oplosfase.
C
Oriëntatiefase, communicatiefase, integratiefase, uitvoeringsfase en eindfase/oplosfase.
D
Oriëntatiefase, conflictfase, groepsvormingsfase, uitvoeringsfase en eindfase/oplosfase.

Slide 17 - Quizvraag

Wat kun je aflezen uit een sociogram?
A
Hoeveel sociale en neutrale kinderen er in een groep zitten.
B
In welke fase het groepsvormingsproces zich bevindt.
C
Wat de rollen en posities van de kinderen in de groep zijn.
D
Welke taaknormen er in de groep bestaan.

Slide 18 - Quizvraag

Welke rol in de (positieve) begeleiding van het groepsproces heeft de pedagogisch medewerker?
A
Regelaar, zorger en hoeder van de orde.
B
Professioneel opvoeder.
C
Teamleider.
D
Observator.

Slide 19 - Quizvraag

Wie bepaalt de groepsnorm in een groep?
A
De actieve kinderen met veel ideeën en initiatief.
B
De sociale kinderen met de actieve kinderen.
C
De sociale kinderen met de neutrale kinderen.
D
Alle kinderen in de groep bepalen de groepsnorm.

Slide 20 - Quizvraag

Wat wordt bedoeld met een homogene groep?
A
Een groep waarin de kinderen verschillende kenmerken hebben.
B
Een groep waarin sociale en neutrale kinderen zitten.
C
Een groep waarin de kinderen gelijke en/of gelijksoortige kenmerken hebben.
D
Een groep waarin kinderen van hetzelfde geslacht zitten.

Slide 21 - Quizvraag

Welke soort gebaren zijn er binnen de non-verbale communicatie?
A
Ondersteunende, Expressieve en Positieve gebaren.
B
Ondersteunende, Representatieve en Expressieve gebaren.
C
Representatieve, Expressieve en Communicatieve gebaren.
D
Ondersteunde, Expressieve en Communicatieve gebaren.

Slide 22 - Quizvraag

Wat wordt bedoeld met het appellerende aspect in de boodschap?
A
De letterlijke inhoud van de boodschap.
B
Informatie om invloed uit te oefenen op de ontvanger.
C
Informatie over de zender, zijn zelfpresentatie.
D
Informatie over hoe de zender aankijkt tegen de ontvanger van de boodschap.

Slide 23 - Quizvraag

Wat wordt bedoeld met ruis?
A
De mimiek die je laat zien bij je communicatie.
B
. De communicatiestoring die ervoor zorgt dat de boodschap vervormd of zelfs helemaal niet overkomt bij de ontvanger.
C
Het niet goed luisteren naar de boodschap door de ontvanger.
D
Het niet goed zenden van de boodschap door de zender.

Slide 24 - Quizvraag

Wat is een voorbeeld van een open vraag?
A
Is het vandaag vrijdag?
B
Je hebt het warm zeker?
C
Hoe gaat het met jou?
D
Wie is er jarig vandaag?

Slide 25 - Quizvraag

Wat is een suggestieve vraag?
A
Met een suggestieve vraag leg je het antwoord als het ware al bij de ander in de mond.
B
Een suggestieve vraag is een vraag waarop maar één antwoord mogelijk is.
C
Met een suggestieve vraag kun je vragen wat de ander van het gesprek vond.
D
Een suggestieve vraag is een vraag waarin twee vragen tegelijkertijd gesteld worden.

Slide 26 - Quizvraag

Wat is een voorwaarde voor een geslaagde samenwerking?
A
. De samenwerkende mensen vinden elkaar aardig.
B
De samenwerkende mensen moeten al minstens 1 jaar met elkaar samenwerken.
C
De samenwerkende mensen wantrouwen elkaar.
D
De samenwerkende mensen houden zich aan afspraken.

Slide 27 - Quizvraag

Wat betekent interdisciplinaire samenwerking?
A
Samenwerking tussen verschillende afdelingen en partijen.
B
Samenwerking tussen verschillende types.
C
Samenwerking tussen collega’s en kinderen.
D
Samenwerking tussen collega’s met een verschillende culturele achtergrond.

Slide 28 - Quizvraag

Hoe ga je om met lastige collega’s?
A
Je klaagt ze aan bij je baas.
B
Je gaat ze uit de weg of je gaat een gesprek met ze aan.
C
Je roddelt over ze.
D
Je maakt ze zwart bij hun baas.

Slide 29 - Quizvraag

Wat maakt interdisciplinair samenwerken lastig?
A
Dat de kinderen nog jong zijn.
B
Dat men verschillende belangen kan hebben.
C
Dat de verschillende types botsen.
D
Dat de afdelingen op verschillende tijden werken.

Slide 30 - Quizvraag

Waarom kunnen verschillende persoonlijkheden (types) botsen?
A
Omdat ze allebei moe zijn.
B
Omdat het ene type redelijker is dan het andere.
C
Omdat ze op een andere manier over dingen denken,
D
Omdat ze goed in hun vel zitten.

Slide 31 - Quizvraag

Wat is het verschil tussen waarden en normen?
A
Normen gaan over hoe je met elkaar om moet gaan. Waarden over wat er wel en niet mag volgens de wet.
B
Waarden zijn uitgangspunten die iemand belangrijk vindt. Normen zijn gedragsregels die daaruit voortkomen.
C
Normen zijn uitgangspunten die iemand belangrijk vindt. Waarden zijn gedragsregels die daaruit voorkomen.
D
Waarden gaan over alles wat goed en slecht is, de wetgeving. Normen over wat je zelf goed of slecht vindt.

Slide 32 - Quizvraag

Wat is intercultureel communiceren?
A
Communicatie tussen mensen met dezelfde cultuur.
B
Communicatie tussen mensen in een school of organisatie.
C
Communicatie tussen mensen uit verschillende landen.
D
Communicatie tussen mensen uit verschillende culturen.

Slide 33 - Quizvraag

Waarom is het binnen intercultureel werken belangrijk dat je let op welke gebaren je maakt?
A
Er zijn culturen waar het maken van gebaren verboden is.
B
Sommige mensen snappen gebaren niet, omdat ze dat gebaar niet kennen.
C
Niet in elke cultuur heeft een gebaar dezelfde betekenis.
D
Het is niet belangrijk in elke cultuur betekenen gebaren hetzelfde.

Slide 34 - Quizvraag

Wat is binnen de kinderopvang en een school belangrijk als je werkt met kinderen met een andere culturele achtergrond, buiten dat je belangstelling en respect toont?
A
Dat je dezelfde taal spreekt als de ander, al zijn het maar een paar woorden.
B
Dat je uitleg geeft over de verschillende culturele achtergronden.
C
Dat je geen vooroordelen hebt en alle feesten viert.
D
Dat je samen met je collega’s overlegd hoe je iets het beste aan kunt pakken.

Slide 35 - Quizvraag

In welke cultuur is het recht op vrije meningsuiting vastgelegd?
A
G-cultuur.
B
F-cultuur.
C
Niet-westerse cultuur.
D
Westerse cultuur

Slide 36 - Quizvraag

Wat plaats je in een activiteitenplan?
A
Welke activiteit(en) je komende maand wil gaan doen en waar je op moet letten.
B
Hoe je een activiteit wil gaan doen en waar je op moet letten.
C
Welke activiteiten je tijdens het jaar wil doen en waar je op moet letten.
D
Hoe je een activiteit moet organiseren en wie en/of wat je daarvoor nodig hebt.

Slide 37 - Quizvraag

Met welk soort spel stimuleer je de motorische/lichamelijke ontwikkeling?
A
Exploratief spel.
B
Socialisatiespel.
C
Fantasiespel.
D
Bewegingsspel.

Slide 38 - Quizvraag

Welk ontwikkelingsgebied stimuleer je met socialisatiespel?
A
De sociaal-emotionele ontwikkeling.
B
De cognitieve ontwikkeling.
C
De motorische ontwikkeling.
D
De zintuigelijke ontwikkeling.

Slide 39 - Quizvraag

Met welk soort activiteiten stimuleer je de sociaal-emotionele ontwikkeling, de motoriek en de taal?
A
Fantasie en spelactiviteiten.
B
Creatieve en expressieve activiteiten.
C
Spel- en sportactiviteiten.
D
Beweeg en creatieve activiteiten.

Slide 40 - Quizvraag

Waarom is het van belang om bij baby’s extra rekening te houden met de veiligheid van het speelgoed?
A
Een baby steekt alles in zijn of haar mond.
B
Als het speelgoed te groot is, kan de baby er niet mee spelen.
C
Als het speelgoed te klein is, kan de baby er niet mee spelen.
D
Een baby gooit van alles door de ruimte.

Slide 41 - Quizvraag