Examentraining Frans M4

Examentraining Frans

\
1 / 28
volgende
Slide 1: Tekstslide
FransMiddelbare schoolhavo, vwoLeerjaar 5,6

In deze les zitten 28 slides, met interactieve quizzen en tekstslides.

Onderdelen in deze les

Examentraining Frans

\

Slide 1 - Tekstslide

Aujourd'hui

Tips
Oefenen met de examenbundel

Slide 2 - Tekstslide

Hoeveel tijd krijg je voor het eindexamen Frans?
timer
0:20

Slide 3 - Open vraag

Hoeveel teksten en vragen heeft
het eindexamen Frans meestal?
timer
0:10
A
13 teksten, 40 vragen
B
9 teksten, 35 vragen
C
14 teksten, 20 vragen
D
14 teksten, 45 vragen

Slide 4 - Quizvraag

Leesvaardigheid tips & tricks
Wat wil het CITO?
  • Relevante informatie uit een tekst halen
  • Hoofdgedachte uit een tekst halen
  • Gegevens uit teksten vergelijken en conclusies uit halen
  • Verbanden uit tekstdelen halen
  • Gebruik van speciale stijlmiddelen herkennen
  • Conclusies trekken mbt schrijfdoel, opvattingen, gevoel van de auteur

Slide 5 - Tekstslide

Soorten vragen
  • Gesloten vragen: meerkeuze vragen/ invulvragen
  • Voorgestructureerde vragen: combinatie-/ matchingsvragen, beweringsvragen, ordeningsvragen
  • Citeervragen
  • Open vragen

Slide 6 - Tekstslide

Welke vraagsoort kan je heel goed?

Slide 7 - Open vraag

Met welke vraagsoort wil ik graag oefenen?

Slide 8 - Open vraag

Soorten examenvragen
Wat voor soort opdrachten passen bij die vragen?

Examenbundel bladzijden 51 t/m 64

Slide 9 - Tekstslide

Franse vragen
-À quoi sert le 1ere alinéa 
-Qu'est-ce qui est vrai selon le 1ere alinéa
-Qu'est-ce qu'on peut lire au 3eme alinéa
-Qu'est-ce que l'auteur écrit/ mentionne

Bladzijde 69 examenbundel

Slide 10 - Tekstslide

Slide 11 - Tekstslide

1. Juist / onjuist-vragen
Bij juist / onjuist-vragen moet je van meerdere - meestal drie - beweringen nagaan of ze overeenkomen met een deel van de tekst / een alinea.
1. Lees de beweringen zorgvuldig en markeer kernwoorden.
2. Zoek het tekstgedeelte op waarnaar wordt verwezen. 
3. Lees het betreffende gedeelte nauwkeurig door en vergelijk het met de beweringen. De beweringen staan meestal in volgorde van de tekst. LET OP DE GEMARKEERDE KERNWOORDEN EN/OF SYNONIEMEN VAN DEZE WOORDEN
4. Vind je bewijzen in de tekst dat de volledige bewering klopt? Dan is deze bewering juist. Klopt de bewering maar deels, dan is hij onjuist.
5. Kun je niets vinden in de tekst over één van de beweringen? Dan is deze bewering onjuist.
6. Noteer het nummer van de beweringen op je antwoordblad met juist of onjuist erachter.

Slide 12 - Tekstslide

Oefenen met juist/onjuist
Bladzijde 105

Slide 13 - Tekstslide

4. Open vragen
Open vragen worden in het Cito-examen altijd in het Nederlands gesteld. Je beantwoordt deze vragen ook in het Nederlands, tenzij er om een citaat gevraagd wordt uit de tekst.
Er zijn drie soorten open vragen die je kunt tegenkomen in het examen:
- open vraag waarbij je in het Nederlands een antwoord moet formuleren
- open vraag waarbij je antwoordt met een citaat uit de tekst
- open vraag waarbij je één gegeven (bijvoorbeeld de naam van een persoon) moet geven

Slide 14 - Tekstslide

Open vragen: aanpak
1. Lees de open vraag nauwkeurig. Vertaal eventuele citaten. 
2. Ga na welke informatie wordt gevraagd in de opdracht en benoem dit voor jezelf. Bedenk vervolgens naar wat voor soort informatie je moet zoeken in de tekst. Structuurwoorden (oorzaak, voorbeeld)? Woorden met een positieve of negatieve strekking? Een bepaald thema?
3. Ga vervolgens op zoek naar die informatie in de tekst en onderstreep het tekstgedeelte waar je denkt dat het antwoord zich bevindt.
4. Formuleer je antwoord.
- Als je in het Nederlands een antwoord moet formuleren, vertaal je eerst letterlijk het tekstgedeelte. Zet daarna de letterlijk vertaalde zin om naar een lopende zin in correct Ned.
- Als er om een citaat wordt gevraagd, schrijf je de eerste (twee) woorden van het citaat op.
- Als er om één gegeven wordt gevraagd, schrijf je alléén dat ene gegeven op.

Slide 15 - Tekstslide

Open vragen: oefenen
Bladzijden 97

Slide 16 - Tekstslide

2. Meerkeuzevragen
Ongeveer 2/3 van de examenvragen is meerkeuzevragen. Deze pak je als volgt aan.
1. Lees de meerkeuzevraag (alleen de vraag, nog NIET de antwoorden).
2. Bepaal in welk tekstgedeelte je het antwoord op de vraag moet zoeken en lees dit stukje nauwkeurig door. Zoek daar de aanwijzingen die belangrijk zijn voor het beantwoorden van de vraag. Onderstreep die aanwijzingen in de tekst. Zoek ook naar SYNONIEMEN.
3. Probeer in gedachten zelf een antwoord op de vraag te formuleren.
4. Lees nu de antwoordopties nauwkeurig door en zorg dat je ze begrijpt (DUS NIET IEDER WOORD OPZOEKEN). Vergelijk ze met het door jezelf bedachte antwoord en kies de antwoordoptie die hier het meest op lijkt.
5. Als je niet direct het juiste antwoord op de vraag kunt vinden tussen de gegeven mogelijkheden, pas dan de eliminatiemethode toe >>> onjuiste antwoorden wegstrepen.

Slide 17 - Tekstslide

Oefenen met meerkeuze
Bladzijden 101-102

Slide 18 - Tekstslide

3. Invulvragen bij gatenteksten
1. Lees de tekst tot het gat globaal om te begrijpen waar het over gaat. Zorg ervoor dat de grote lijn van de tekst duidelijk is.
2. Lees de zin waarin de open plek voorkomt nauwkeurig door. Lees ook het tekstgedeelte vóór en ná de open plek.
3. Kijk nog niet naar de antwoordopties, maar bepaal eerst welk verband er is tussen het deel vóór en ná de open plek.
4. Bepaal welk soort woord je in moet vullen (signaalwoord, werkwoord, zelfstandig naamwoord) en verzin zelf een woord dat je passend lijkt op deze open plek.
5. Vertaal de antwoordopties in het Nederlands en kies het woord dat het meeste lijkt op het woord dat je zelf had bedacht.
6. Controleer je antwoord door het gekozen woord in de zin in te vullen en te kijken of deze past.

Slide 19 - Tekstslide

Op zoek naar verbanden? Tips...
- Staat de open plek aan het einde van de alinea? Dan zou een signaalwoord dat een opsommend verband aangeeft niet logisch zijn. Een signaalwoord dat een concluderend verband aangeeft (bref, pour conclure, donc) zou in dit geval logischer zijn.
- Staat de open plek na een zin waarin een bewering wordt gedaan? Dan zou het kunnen dat deze bewering door middel van een voorbeeld geïllustreerd wordt (par exemple, ainsi, comme) of dat er een uitleg wordt gegeven voor deze bewering (car, parce que, c'est pourquoi)

Slide 20 - Tekstslide

Oefenen met gatenteksten
Bladzijden 80-81

Slide 21 - Tekstslide

TIPS & TRUCS

om in te zetten bij het eindexamen Frans

Slide 22 - Tekstslide

Tips
Het antwoord staat (bijna) altijd letterlijk in de tekst

Onderstreep die zin(nen) waar het antwoord in staat

Op deze manier dwing je jezelf om jezelf te controleren

Slide 23 - Tekstslide

Slide 24 - Tekstslide

Slide 25 - Tekstslide

Slide 26 - Tekstslide

Slide 27 - Tekstslide

Slide 28 - Tekstslide