Trappen van vergelijking

1 / 46
volgende
Slide 1: Tekstslide
DuitsMiddelbare schoolvwoLeerjaar 5

In deze les zitten 46 slides, met interactieve quizzen, tekstslides en 3 videos.

time-iconLesduur is: 45 min

Onderdelen in deze les

Slide 1 - Tekstslide

Basisregels
  • Hoe maak je de trappen van vergelijking in het Duits?

Volgens de basisregels maar je de trappen van vergelijking door:
  1. Stellende trap: basis van het bijvoeglijk naamwoord
       -> klein, schnell
    2. Vergrotende trap: basis + er
       -> kleiner, scheller
    3. Overtreffende trap: basis + st
      -> kleinst, schnellst

Slide 2 - Tekstslide

Slide 3 - Tekstslide

Slide 4 - Tekstslide

Slide 5 - Tekstslide

Slide 6 - Tekstslide

De trappen van vergelijking: heiß
A
heiß - heißer - heißten
B
heiß - heißer - heißest
C
heiß - heißer - heißt

Slide 7 - Quizvraag

De trappen van vergelijking: lieb
A
lieb - lieber - liebsten
B
lieb - lieber - am liebsten
C
lieb - lieber - liebest

Slide 8 - Quizvraag

De trappen van vergelijking: weit
A
weit - weiter - weitesten
B
weit - weiter - weitsten
C
weit - weiter - am weitesten
D
weit - weiter - weitest

Slide 9 - Quizvraag

Maak de trappen van vergelijking van:
klein

Slide 10 - Open vraag

Maak de trappen van vergelijking van: schnell

Slide 11 - Open vraag

Maak de trappen van vergelijking van:
viel

Slide 12 - Open vraag

Maak de trappen van vergelijking van:
groß

Slide 13 - Open vraag

Maak de trappen van vergelijking van:
alt

Slide 14 - Open vraag

Maak de trappen van vergelijking van:
interessant

Slide 15 - Open vraag

Mein Bruder ist_____als meine Schwester(sterker)

Slide 16 - Open vraag

Der Fernsehturm in Berlin ist_____als der Effeilturm(hoger)

Slide 17 - Open vraag

Das Brötchen smeckt mir_____als ein Wiener Schnitzel(beter

Slide 18 - Open vraag

Mike trainiert_____(het meest)

Slide 19 - Open vraag

In Schweden ist es_____(het koudst

Slide 20 - Open vraag

Naamvallen
Naamvallen + bijvoeglijk naamwoord

Slide 21 - Tekstslide

Slide 22 - Video

Nikolaus und seine Helfer

Slide 23 - Tekstslide

Substantiviertes Adjektiv
Substantiviertes Adjektiv betekent dat een bijvoeglijk naamwoord als zelfstandig naamwoord wordt gebruikt. Je haalt het zelfstandignaamwoord weg en plaatst een hoofdletter.

Voorbeeld:
- de gelukkige man = der glückliche Mann
- de gelukkige = der/die Glückliche
- de zieke vrouw = die kranke Frau
- de zieke = der/die Kranke

Slide 24 - Tekstslide

Factoren bij "substantivierte Adjektive"
Er zijn drie factoren die de vorm van het zelfstandig-gebruikt bijvoeglijk-naamwoord bepalen:

1. de groep (der-, ein- en null-Gruppe);
2. meervoud of het geslacht;
3. naamval (voorzetsel, werkwoord, ontleden).

Slide 25 - Tekstslide

Slide 26 - Tekstslide

Slide 27 - Tekstslide

Bijvoeglijk naamwoord: Der-Gruppe

Slide 28 - Tekstslide

Aufgabe:

de rijke vrouw =
de rijke man = 

het arme kind  = 

de snelle sporters = 
Substantiviertes Adjektiv:

de rijke = 
de rijke

de arme = 

de snelle = 

Slide 29 - Tekstslide

Aufgabe:

de rijke vrouw = 
die reiche Frau
de rijke man = 
der reiche Mann

het arme kind  = 
das arme Kind

de snelle sporters = 
die schnellen Sportler
Substantiviertes Adjektiv:

de rijke = 
die Reiche
de rijke = 
der Reiche

de arme = 
der/die Arme

de snelle = 
die Schnellen

Slide 30 - Tekstslide

De vervoeging
Je gebruikt de normale schema's, maar je vervoegt het "zelfstandiggebruikt bijvoeglijknaamwoord" ook; het is immers nog steeds een bijvoeglijk naamwoord.

Normaal: de mooie vrouw en slimme man houden van elkaar.
= Die schöne Frau und der schlaue Mann lieben sich.
Substantiviertes Adjektiv: De mooie en slimme houden van elkaar.
= Die Schöne (Frau) und der Schlaue (Mann) lieben sich.

Slide 31 - Tekstslide

MASKULINUM
FEMININUM
Singular
Plural
1. Fall
der Alte /ein Alter
die Alte / eine Alte
die Alten / Alte
2. Fall
des / eines Alten
der / einer Alten
der Alten / Alter
3. Fall
dem / einem Alten
der / einer Alten
den Alten / Alten
4. Fall
den / einen Alten
die / eine Alte
die Alten / Alte

Slide 32 - Tekstslide

Uitzonderingen vanuit het Nederlands
- der/die als lidwoord voor personen (M/V)
- das als lidwoord als het niet om een persoon gaat.


Afbeelding van NaKlar!

Slide 33 - Tekstslide

Bijvoeglijk naamwoord: Ein-Gruppe

Slide 34 - Tekstslide

Slide 35 - Tekstslide

Wo hast du unseren Bekannt---- (m) gesehen?
A
e
B
er
C
es
D
en

Slide 36 - Quizvraag

Der Betrunken_____ (m) fährt nicht mit dem Auto.
A
e
B
er
C
es
D
en

Slide 37 - Quizvraag

Die Reisend____ (mv) im Bus waren meist Jugendliche.
A
e
B
er
C
es
D
en

Slide 38 - Quizvraag

Hast du (der Bediente) gesehen?
A
der Bedienten
B
den Bedienten
C
die Bedienten
D
den Bediente

Slide 39 - Quizvraag

Ich bin doch (kein + der Deutsche, m).
A
kein Deutsche
B
keiner Deutsche
C
kein Deutscher
D
keinen Deutschen

Slide 40 - Quizvraag

Wir sind (der Freiwillige; mv) der Gruppe.
A
die Freiwillige
B
die Freiwilligen

Slide 41 - Quizvraag

Die anderen Mitglieder der Gruppe sind (Angestellte; mv).
A
Angestellte
B
Angestellten

Slide 42 - Quizvraag

2

Slide 43 - Video

Naamvallen
Naamvallen + bijvoeglijk naamwoord

Slide 44 - Tekstslide

Slide 45 - Video

Nikolaus und seine Helfer

Slide 46 - Tekstslide