16. 17 mrt: Herhaling deel 2: interp+hoofdletters + hst 2 + herhaling taalgebruik periode 1

Op tafel:
  • laptop
  • map
  • pen
  • Leesboek
Welkom havo 3
timer
10:00
  • Jas uit en over je stoel. 
  • Tas van tafel.
  • Oortjes en telefoon in je tas. 
Log in op LessonUp. 
Vandaag geen NUMO. 
1 / 48
volgende
Slide 1: Tekstslide
NederlandsMiddelbare schoolmavo, havo, vwoLeerjaar 1

In deze les zitten 48 slides, met interactieve quizzen en tekstslides.

time-iconLesduur is: 1 min

Onderdelen in deze les

Op tafel:
  • laptop
  • map
  • pen
  • Leesboek
Welkom havo 3
timer
10:00
  • Jas uit en over je stoel. 
  • Tas van tafel.
  • Oortjes en telefoon in je tas. 
Log in op LessonUp. 
Vandaag geen NUMO. 

Slide 1 - Tekstslide

Vandaag maandag 17 maart: 
  • Numo: niet gedaan
  • Interpunctie en hoofdletters
  • Herhalen hst 2
  • Hst taalgebruik uit periode 1

Slide 2 - Tekstslide

Periode 2 
Oefenboek
Handboek 
Hst 2 Fictie en werkelijkheid 
A, C, D, F 
Taal en Cultuur - Verhalen hst 12
Taalgebruik- hst 19: contaminatie, lange zinnen.
Verhalen - hst 8-10: Plot en andere literaire begrippen 
Hst 5 Vermaken & ontroeren 
A, C, F
Taal & Cultuur - Humor en spot hst 15
Taalgebruik- hst 18: paradox, retorische vraag, hyperbool, repetitio, drieslag.
Werkwoordspelling B
Hoofdletters en leestekens D
Taalverzorging - Werkwoordspelling hst 5 
Taalverzorging -  Hoofdletters en Leestekens - hst 8, 9

Planning periode 2
+ hoofdstukken taalgebruik uit periode 1

Slide 3 - Tekstslide

Korte herhaling: 
hst 5: paradox, retorische vraag, hyperbool, repetitio, drieslag
Wat is een hyperbool? 
  • Sterke overdrijving

Slide 4 - Tekstslide

Schrijf een zin met daarin een hyperbool over het weer.

Slide 5 - Open vraag

De wind blies zo fel dat het leek alsof het de bomen uit de grond wilde trekken!

Het was zo heet vandaag dat je een ei kon bakken op mijn auto. 

Het was zo koud vanochtend, dat ik als een soort sneeuwpop aankwam op school.


Slide 6 - Tekstslide

Wat neem je mee naar de toets?

Slide 7 - Open vraag

Wat neem je mee naar de toets?
  • Woordenboek (die kun je niet meer lenen!)
  • Leesboek!! 
  • Laptop met oplader

Slide 8 - Tekstslide

Wanneer schrijf je een komma?

Slide 9 - Open vraag

Wanneer schrijf je een komma?
  • Als je een pauze hoort;
  • tussen de delen van een opsomming;
  • tussen bijvoeglijk naamwoorden;
  • tussen twee persoonsvormen;
  • voor- of nadat je iemand aanspreekt;
  • na de aanhef in een brief of mail

Slide 10 - Tekstslide

Hoe heten deze leestekens: " ... "

Slide 11 - Open vraag

Wanneer schrijf je een hoofdletter?

Slide 12 - Open vraag

Wanneer schrijf je een hoofdletter?
  • Aan het begin van een zin;
  • Als een zin begint met een apostrof, dan krijg de eerste letter van het tweede woord de hoofdletter >> 's Zondags slaap ik uit. 
  • Eigennamen;
  • Aardrijkskundige namen en afleidingen;
  • Titels van boeken, films, kunstwerken.

Slide 13 - Tekstslide

Verbeter de zin op hoofdletters en interpunctie:
medewerkers van een bank in wales zijn in de ban van een ansichtkaart die 121 jaar te laat op de mat
ploft gericht aan ene lydia davies

Slide 14 - Open vraag

 Medewerkers van een bank in Wales zijn in de ban van een ansichtkaart die 121 jaar te laat op de mat
ploft, gericht aan ene Lydia Davies.
6 verbeteringen

Slide 15 - Tekstslide

Verbeter de zin op hoofdletters en interpunctie:
op de achterkant heeft ene stefan geschreven beste lydia het spijt me dat ik onaardig was de laatste keer dat we elkaar zag

Slide 16 - Open vraag

Op de achterkant heeft ene Stefan geschreven: "Beste Lydia, het spijt me dat ik onaardig was, de laatste keer dat we elkaar zag."
10 verbeteringen

Slide 17 - Tekstslide

hst 2: fictie en werkelijkheid
A:  literaire begrippen
C: contaminatie en lange zinnen
D: literaire begrippen
F: zelfstudie

Slide 18 - Tekstslide

Wat is een contaminatie?

Slide 19 - Open vraag

Wat gaat er mis in deze zin?
Wil jij deze opdracht voor mij uitprinten?

Slide 20 - Open vraag

Wat te doen:
Wat gaat er mis in deze zin? 
Wil jij deze opdracht voor mij uitprinten? 
  • Stap 1: zeg dat het om een contaminatie gaat. 
  • Stap 2: geef het woord dat een contaminatie is. 
  • Stap 3: Geef een nieuwe, verbeterde zin.
Het is een contaminatie. Uitprinten is een contaminatie van 'printen' en 'uitdraaien'. 
Verbetering: Wil jij deze opdracht voor mij printen?

Slide 21 - Tekstslide

Wat gaat er mis in deze zin?
Als je eerst de trein neemt en dan de bus, moet je overchecken.

Slide 22 - Open vraag

Wat te doen:
Wat gaat er mis in deze zin? 
Als je eerst de trein neemt en dan de bus, moet je overchecken. 
  • Stap 1: zeg dat het om een contaminatie gaat. 
  • Stap 2: geef het woord dat een contaminatie is. 
  • Stap 3: Geef een nieuwe, verbeterde zin.
Het is een contaminatie. 'overchecken' is een contaminatie van 'overstappen' en 'uitchecken'. 
Verbetering: Als je eerst de trein neemt en dan de bus, moet je overstappen (en ook uitchecken en incheken). 

Slide 23 - Tekstslide

Lange zinnen
Te lange zinnen moet je opdelen in kortere zinnen. 
Dit kan terugkomen bij 'interpunctie en hoofdletters'. 

Slide 24 - Tekstslide

hst 2: fictie en werkelijkheid
A:  literaire begrippen
C: contaminatie en lange zinnen
D: literaire begrippen
F: zelfstudie

Slide 25 - Tekstslide

Wat voor vraag over je leesboek krijg je op de toets?

Slide 26 - Open vraag

Hst 2: A + D: literaire begrippen
  • biografie
  • autobiografie
  • fictie
  • non-fictie 
  • realistische fictie
Tijd: 
  • chronologie
  • versnellen
  • vertragen
  • tijdsprong

  • perspectieven
  • plot
  • einde
  • tijd
  • ruimte:
  • 1. versterkend
  • 2. contrasterend
  • weer
Deze begrippen moet je kennen én kunnen uitleggen met jouw leesboek.

Slide 27 - Tekstslide

Wat is het verschil tussen een ik-perspectief en een personaal perspectief?

Slide 28 - Open vraag

Ik-perspectief

  • Je leest het vanuit de hoofdpersoon.
  • Je leert veel over de hoofdpersoon

  • Vanuit ik-vorm: 
Ik zie, ik lees, ik doe
  • Leeservaring: lezer zit dichter op de hoofdpersoon.


personaal perspectief

  • Je leest het vanuit de hoofdpersoon.
  • Je leert veel over de hoofdpersoon

  • Vanuit hij-, zij-vorm:
hij ziet, hij leest, hij doet
  • Leeservaring: lezer staat verder af van de hoofdpersoon. 


Slide 29 - Tekstslide

In welke perspectief is jouw boek geschreven?
A
Ik-perspectief
B
Personaal perspectief
C
Alwetend perspectief
D
Meervoudig perspectief

Slide 30 - Quizvraag

Geef twee soorten locaties (ruimte) uit je leesboek die belangrijk zijn.

Slide 31 - Open vraag

Geef twee soorten locaties (ruimte) uit je leesboek die belangrijk zijn.
Voorbeeld The Lion King:
  1. The Lion King speelt zich af op de savanne. Hier wordt Simba geboren. De savanne is helemaal open en zichtbaar. 
  2. Daarnaast is een belangrijke locatie die waar zijn vader overlijdt. Dat is in een kloof. Zijn vader valt dan naar beneden. 

Slide 32 - Tekstslide

Is jouw boek:
A
non-fictie
B
fictie
C
realistische fictie

Slide 33 - Quizvraag

Leg uit hoe jij non-fictie/fictie/realistische fictie tegenkomt in jouw leesboek.

Slide 34 - Open vraag

Leg uit hoe jij non-fictie/fictie/realistische fictie tegenkomt in jouw leesboek. 
Voorbeeld: The Lion King
Dit boek is fictie, want op pagina 1 lees je dat het gaat over pratende dieren. Dat is helemaal niet realistisch en daarom is het fictief. 

Slide 35 - Tekstslide

Hst taalgebruik:
hst 1-5: 
Tekstsoorten, tekstdoelen, onderwerp, structuur en verbanden
(oude stof uit periode 1).

Slide 36 - Tekstslide

Wat is het verschil en overeenkomst tussen een onderwerp en een hoofdgedachte?

Slide 37 - Open vraag

Onderwerp - hoofdgedachte
overeenkomst: 
Geven beide aan waar de tekst over gaat. 

Verschil: 
Onderwerp: één woord of één woordgroep
Hoofdgedachte: één hele zin. 

Slide 38 - Tekstslide

Welk tekstverband zie je hier?
Ik wilde naar de kapper, echter was die gesloten.
A
opsomming
B
tegenstelling
C
voorwaarde
D
verduidelijking

Slide 39 - Quizvraag

Welk tekstverband zie je hier?
Doordat ik hardloop, heb ik een goede conditie
A
conclusie
B
vergelijking
C
reden, oorzaak, gevolg
D
inperking

Slide 40 - Quizvraag

Welk tekstverband zie je hier?
In het aquarium zwemmen allerlei vissen, zoals de blauwe zebravis.
A
voorbeeld
B
samenvatting
C
opsomming
D
tijd

Slide 41 - Quizvraag

Uit welke drie delen bestaat een tekst?

Slide 42 - Open vraag

Er zijn drie tekstsoorten, welke?

Slide 43 - Open vraag

6 tekstdoelen
  • informeren
  • instrueren
  • overtuigen
  • beschouwen
  • activeren
  • amuseren

Slide 44 - Tekstslide

Welk tekstdoel?
Het lezen van een boek.
A
informeren
B
amuseren
C
activeren
D
beschouwen

Slide 45 - Quizvraag

Een folder over de voor- en nadelen van vegetarisch eten.
A
informeren
B
activeren
C
overtuigen
D
beschouwen

Slide 46 - Quizvraag

Pak je leesboek erbij.
  • biografie
  • autobiografie
  • fictie
  • non-fictie 
  • realistische fictie
Tijd: 
  • chronologie
  • versnellen
  • vertragen
  • tijdsprong

  • perspectieven
  • plot
  • einde
  • tijd
  • ruimte:
  • 1. versterkend
  • 2. contrasterend
  • weer
Bedenk 3 vragen die je docent zou kunnen stellen bij literaire begrippen. Geef zelf antwoord op je vragen. 

Slide 47 - Tekstslide

Begrippen uit deze les
  • Interpunctie en hoofdletters
  • Herhalen hst 2
  • Hst taalgebruik uit periode 1

Slide 48 - Tekstslide