3tna 1.5 tekstverbanden en signaalwoorden

  • Lees de theorie op blz. 32 (basis) of blz. 33 (kader). 
  • Maak de startopdracht.
  • Klaar? Begin alvast aan het huiswerk.
3TNA
§5 Tekstverbanden en signaalwoorden
Startopdracht:
timer
5:00
Schrijf met drie tekstverbanden een kloppende zin. Je mag zelf kiezen welke tekstverbanden en signaalwoorden je kiest. Basis: blz. 32. Kader: blz. 33.
1 / 24
volgende
Slide 1: Tekstslide
Mens & MaatschappijMiddelbare schoolvmbo bLeerjaar 3

In deze les zitten 24 slides, met interactieve quizzen en tekstslides.

time-iconLesduur is: 45 min

Onderdelen in deze les

  • Lees de theorie op blz. 32 (basis) of blz. 33 (kader). 
  • Maak de startopdracht.
  • Klaar? Begin alvast aan het huiswerk.
3TNA
§5 Tekstverbanden en signaalwoorden
Startopdracht:
timer
5:00
Schrijf met drie tekstverbanden een kloppende zin. Je mag zelf kiezen welke tekstverbanden en signaalwoorden je kiest. Basis: blz. 32. Kader: blz. 33.

Slide 1 - Tekstslide

  • Je kunt verbanden in een tekst herkennen aan de hand van signaalwoorden. Opsomming, tijdsvolgorde, voorbeeld. tegenstelling, oorzaak-gevolg, conclusie, doel-middel, voorwaarde.
Lesdoelen

Slide 2 - Tekstslide

In deze les:
  • Herhalen vorige paragraaf (tekstdoelen en -soorten).
  • Uitleg paragraaf 5:
    tekstverbanden en signaalwoorden.
  • Zelfstandig werken.
  • Afronden en checken.

Slide 3 - Tekstslide

Vul hier één zin van jouw startopdracht in.
Zet er ook bij welk tekstverband je hebt toegepast.

Slide 4 - Open vraag

Wat doet iemand als hij je gaat instrueren?
A
Hij wil zijn mening duidelijk maken
B
Hij gaat je iets leren
C
Hij wil jou overtuigen

Slide 5 - Quizvraag

Met welke tekst wil iemand jou tot handelen aanzetten?
A
stripverhaal
B
nieuwsbericht
C
reclametekst
D
een mop

Slide 6 - Quizvraag

Wat is het tekstdoel?
A
De schrijver wil je iets leren of uitleggen (instrueren)
B
De schrijver wil je iets laten doen (activeren)
C
De schrijver wil je amuseren (amuseren)
D
De schrijver wil zijn mening geven (overtuigen)

Slide 7 - Quizvraag


Signaalwoorden...
A
Verwijzen naar iets in de tekst.
B
Geven aan dat iets van iemand is.
C
Geven een eigenschap aan.
D
Geven een verband aan in de tekst.

Slide 8 - Quizvraag

Tekstverband & signaalwoorden 

tekstverband
signaalwoorden
opsomming
ten eerste, ten tweede, ten slotte, ook, verder, en

tijdsvolgorde (chronologie)
vroeger, later, nu, eerst, vervolgens, terwijl, intussen, daarna, nadat

voorbeeld of uitleg
bijvoorbeeld, zoals, als, denk aan

Slide 9 - Tekstslide

Tekstverband & signaalwoorden 

tekstverband
signaalwoorden
tegenstelling
maar, hoewel, echter, toch, daarentegen, aan de ene kant … aan de andere kant
oorzaak-gevolg
doordat, daardoor, als gevolg van, dat komt door, het gevolg is
conclusie
dus, daarom, dat houdt in, kortom, concluderend, al met al

Slide 10 - Tekstslide

Tekstverband & signaalwoorden 

tekstverband
signaalwoorden
doel-middel
zodat, om te, door middel van, met behulp van

voorwaarde
als (… dan), indien, tenzij, wanneer, mits

Slide 11 - Tekstslide

Doel-middel
Bij het tekstverband doel-middel gaat het om het bereiken van een bepaald doel. Hiervoor is een middel nodig.
Bijvoorbeeld: Ik ga vanavond vroeg naar bed, zodat ik morgen fit ben voor de wedstrijd.
Doel: fit zijn voor de wedstrijd
Middel: vroeg naar bed gaan
 


Slide 12 - Tekstslide

Voorwaarde
Het tekstverband voorwaarde geeft aan wat nodig is voordat iets anders kan gebeuren. 

Bijvoorbeeld: Ik blijf in conditie, als ik voldoende sport.

Slide 13 - Tekstslide

Slide 14 - Tekstslide

Welk signaalwoord van doel-middel staat er in de tekst?
A
om te
B
staan
C
eerst
D
over

Slide 15 - Quizvraag

Als jij alles voor mij inpakt,
koop ik iets lekkers voor onderweg.
A
toelichtend verband
B
redengevend verband
C
voorwaardelijk verband
D
opsommend verband

Slide 16 - Quizvraag

Maak zelf een zin van minimaal acht woorden met een doel-middelverband. Gebruik blz. 32-33.

Slide 17 - Open vraag

Maak zelf een zin van minimaal acht woorden met een voorwaarde(lijk) verband. Gebruik blz. 32-33.

Slide 18 - Open vraag

Wat?
Cursus 1.5 Tekstverbanden en signaalwoorden (vanaf blz. 32).
Basis: Maak opdracht 1 t/m 3.
Kader: Maak opdracht 3 t/m 5.
In je boek en je schrift.
Hoe?
Keuze: zelfstandig of tweetallen.
Hulp
Oogje + groene stukje theorie.
Tijd
Timer.
Klaar?
Maak met ieder tekstverband en signaalwoord een zin.
timer
20:00
Aan het werk

Slide 19 - Tekstslide

  • Je kunt verbanden in een tekst herkennen aan de hand van signaalwoorden. Opsomming, tijdsvolgorde, voorbeeld. tegenstelling, oorzaak-gevolg, conclusie, doel-middel, voorwaarde.
Lesdoelen

Slide 20 - Tekstslide

Welk signaalwoord past in de zin:
''In een democratie zijn er behalve verkiezingen, ........... vrijheid van meningsuiting en vrije pers.''

A
ook
B
daarom
C
dus
D
vervolgens

Slide 21 - Quizvraag

Welk signaalwoord past in de zin:
''Een appel is ................................ tot een banaan rond en hard.''

A
in tegenstelling tot
B
ondanks
C
evenals
D
behalve

Slide 22 - Quizvraag

Welk signaalwoord past in de zin:
''Iedere partij heeft een eigen mening over het onderwijs, .... de leraren moeten meer salaris krijgen.''

(voorbeeld - toelichting)
A
aangezien
B
omdat
C
want
D
zoals

Slide 23 - Quizvraag

Voordat ze het vliegtuig mochten betreden werden de paspoorten gecontroleerd.
Wat is het signaalwoord?

Slide 24 - Open vraag