Alle stof h11

Welkom allemaal!

Zoek een plekje

Pak alvast je boek,
schrift en etui
1 / 40
volgende
Slide 1: Tekstslide
BiologieMiddelbare schoolmavoLeerjaar 2

In deze les zitten 40 slides, met interactieve quizzen en tekstslides.

time-iconLesduur is: 45 min

Onderdelen in deze les

Welkom allemaal!

Zoek een plekje

Pak alvast je boek,
schrift en etui

Slide 1 - Tekstslide

Wat gaan we doen?
Wat moet je leren?
Quizje
Huiswerk afmaken

Lesdoel:
Je weet wat je moet
leren

Slide 2 - Tekstslide

Uitleg 11.1
Jongens zijn vruchtbaar
na eerste zaadlozing

Hypofyse stimuleert zaadbal
tot 70 miljoen cellen per dag

Opgeslagen in bijballen

Slide 3 - Tekstslide

Uitleg 11.1
Opgewonden dan erectie
Kan ook spontaan: natte droom

Zwellichamen worden groter
en de penis komt omhoog

Klaarkomen -> zaadlozing

Slide 4 - Tekstslide

Uitleg 11.1
Een meisje is vruchtbaar wanneer eicellen gaan rijpen
Geboren met 400000 eicellen en op is op
Plasbuis en vagina verschillende buizen

Slide 5 - Tekstslide

Uitleg 11.1
-Onrijpe eicellen (follikels)
  liggen in de eierstokken
-Per 4 weken worden een
  eicel rijp door voedingsstoffen
  op te nemen
-Follikel barst open en eicel komt
  in de eileider (eisprong/ovulatie)
-Eicel blijft 12-24 uur leven om
  bevrucht te worden door zaadcel

Slide 6 - Tekstslide

Uitleg 11.1
Als een eicel niet bevrucht wordt,
wordt een meisje ongesteld
-follikel groeit
-eisprong/ovulatie
-groei baarmoederslijmvlies
-niet bevrucht: menstruatie
  =verliezen baarmoederslijmvlies

Slide 7 - Tekstslide

Uitleg 11.2
-Tijdens een zaadlozing gaan
  miljoenen zaadcellen op pad 
  naar de eicel
-Ze gaan door de vagina naar
  de baarmoedermond naar de
  baarmoeder naar de eileider

Slide 8 - Tekstslide

Uitleg 11.2
-1 winnende zaadcel
  dringt eicel binnen
-celkern komt in de eicel
-celkernen van eicel en
  zaadcel versmelten
  (bevruchting)

Slide 9 - Tekstslide

Uitleg 11.2
-de bevruchte eicel gaat
  delen in de eileider
-de eicel blijft verder delen terwijl 
  hij naar de baarmoeder reist
-het bolletje nestelt in de 
  baarmoederwand (embryo)
-geen ongesteldheid meer/zwanger

Slide 10 - Tekstslide

Middel
Geslacht
zwanger/soa
Hoe werkt het
Betrouwbaar
Condoom
Beide
Beide
Hoesje
Ja
Pil
Vrouw
Zwanger
Hormoon voorkomt eisprong
Ja
Pleister
Vrouw
Zwanger
Hormonen
Ja
Spiraaltje
Vrouw
Zwanger
Koper: zaadcellen werken minder, hormoon: voorkomt innesteling
Ja
Staafje
Vrouw
Zwanger
Hormonen
Ja
Sterilisatie
Beide
Zwanger
Doorknippen zaadleider of de eileider
Ja
Coïtus interruptus
Man
Zwanger
Stoppen met seks voor de zaadlozing
Nee

Slide 11 - Tekstslide

Uitleg 11.3
Vanaf bevruchting tot 
12 weken (embryo): maken
van organen

Na 12 weken (foetus): 
vooral groeien

Slide 12 - Tekstslide

Uitleg 11.3
Veranderingen moeder:
-tot 12 week moe en gekke
  trek
-na 20 week kindje voelen
  bewegen
-kindje drukt tegen organen
  en borstgroei

Slide 13 - Tekstslide

Uitleg 11.3
Het kindje drijft in vruchtwater
in de placenta/moederkoek en 
wordt omringd door vruchtvliezen

Via de navelstreng krijgt de
baby voedingsstoffen en voert
de baby afvalstoffen af


Slide 14 - Tekstslide

Uitleg 11.3
In de navelstreng lopen:
-2 navelstrengslagaders
  -afvalstoffen van kind
    naar moeder
-1 navelstrengader
  -voedingsstoffen van 
    moeder naar kind

Slide 15 - Tekstslide

Uitleg 11.3
De placenta filtert de meeste 
schadelijke stoffen maar
alcohol, nicotine en drugs
kunnen erdoor

FAS (foetaal alcohol syndroom)
of dodelijke gevolgen (eerste 12 week)

Slide 16 - Tekstslide

Uitleg 11.3
Tot 6 weken voor bevalling:
weeën -> krampen die het
kindje goed plaatsen

Indaling: hoofdje in de 
bekken van de vrouw

Slide 17 - Tekstslide

Uitleg 11.3
Na ongeveer 40 weken: bevalling
-ontsluiting: baarmoedermond
  opent en vruchtvliezen breken
-uitdrijving: kindje komt naar
  buiten, sterke weeën
-nageboorte: placenta met 
  vruchtvliezen en navelstreng
  komt naar buiten

Slide 18 - Tekstslide

Uitleg 11.3 
Tweelingen:
-eeneiig: eitje splitst 
  na de bevruchting
-twee-eiig: twee eitjes
  worden losgelaten op
  hetzelfde moment en door 
  twee zaadcellen bevrucht

Slide 19 - Tekstslide

Uitleg 11.4

De informatie om een mens
te maken staat in de celkern

De informatie staat op draadjes
die chromosomen heten

Slide 20 - Tekstslide

Uitleg 11.4
Ieder mens heeft 46 
chromosomen in alle
cellen

23 van je moeder (uit de
eicel) en 23 van je vader
(uit de zaadcel)

Slide 21 - Tekstslide

Uitleg 11.4
-Sommige eigenschappen zijn volledig 
  bepaald door je chromosomen: erfelijke 
  eigenschappen
-Sommige door chromosomen en 
  omgeving: aanleg
-Sommige alleen door omgeving: 
  niet-erfelijke eigenschap

Slide 22 - Tekstslide

Uitleg 11.4
Aangeboren aandoening: vanaf
de geboorte
Erfelijke aandoening: een ziekte
die in de chromosomen zit

Bijv. syndroom van Down waar 
een kind 47 chromosomen heeft

Slide 23 - Tekstslide

Uitleg 11.4
Moeders kunnen tijdens
de zwangerschap getest
worden op afwijkingen:
-echo
-vlokkentest
-vruchtwaterpunctie

Slide 24 - Tekstslide

Vanaf wanneer is een jongen vruchtbaar?

Slide 25 - Open vraag

Bijbal
Zaadleider
Zaadblaasje
Zaadbal
Prostaat
Plasbuis
Zwellichaam

Slide 26 - Sleepvraag

Blaas
Vagina
Eileider
Baar
moeder
Eierstok

Slide 27 - Sleepvraag

Hoelang duurt de menstruatiecyclus?
A
3 dagen
B
5 dagen
C
13 dagen
D
28 dagen

Slide 28 - Quizvraag

Waar vindt bevruchting plaats?
A
Baarmoedermond
B
Eileider
C
Vagina
D
Baarmoeder

Slide 29 - Quizvraag

Wat is innesteling?

Slide 30 - Open vraag

Welk voorbehoedsmiddel is niet met hormonen?
A
pil
B
pleister
C
staafje
D
sterilisatie

Slide 31 - Quizvraag

Hoelang kan je na de seks de morning-after pil gebruiken?
A
1 dag
B
3 dagen
C
24 week
D
onbeperkt

Slide 32 - Quizvraag

Bij een kindje worden alle organen gemaakt. Hoe noem je deze fase?
A
bevruchte eicel
B
embryo
C
foetus
D
kind

Slide 33 - Quizvraag

De navelstrengader brengt voedingsstoffen naar het kind
A
Waar
B
Niet waar

Slide 34 - Quizvraag

Welke drie fases zijn er in de bevalling?

Slide 35 - Open vraag

Een jongen en een meisje zijn tweeling. Wat voor tweeling is dit?
A
Eeneiig
B
Twee-eiig
C
Kan beide

Slide 36 - Quizvraag

Hoeveel chromosomen zitten er in een lichaamscel en in een geslachtscel?

Slide 37 - Open vraag

Hoe noem je het als een eigenschap beïnvloed wordt door omgeving en je chromosomen?
A
Erfelijke eigenschap
B
Aanleg
C
Niet-erfelijke eigenschap

Slide 38 - Quizvraag

Met welk onderzoek neem je wat cellen uit de placenta?
A
Echo
B
Vruchtwaterpunctie
C
Vlokkentest
D
Placentatest

Slide 39 - Quizvraag

Aan de slag!
Alle opdrachten
-11.1: 2-9, 11-13, 15, 16, 18-22
-11.2: 1-8, 13, 16-18
-11.3: 2, 3, 5, 7-10, 12, 13 en
  16-18, 20, 21
-11.4: 3ab, 4, 6a, 7, 15c, 18,
  19, 20b, 21, 22

Slide 40 - Tekstslide