1. Soms staat er een afbeelding bij, gebruik die om te begrijpen waar de tekst over gaat.
2. Lijkt het woord dat je niet kent op een woord in een andere taal? B.v. Garten (duits) --> Garden (engels)
3. Kun je met behulp van de zin het woord raden?
Mein Vogel wohnt in einem Käfig im Haus. Een logische plek voor je vogel om te wonen is een kooi.
4. En soms heb je het woord(je) ook niet nodig om het verhaal te begrijpen en kun je gewoon verder lezen