H5 oefenen politiek theorie

H5 politiek theorie
1 / 30
volgende
Slide 1: Tekstslide

In deze les zitten 30 slides, met interactieve quizzen en tekstslide.

Onderdelen in deze les

H5 politiek theorie

Slide 1 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies



Waar bestaat de Staten-Generaal uit?

Waar bestaat de Staten-Generaal uit?
A
Eerste Kamer
B
Tweede Kamer
C
Eerste en Tweede Kamer
D
Parlement

Slide 2 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Coalitie
Oppositie

Slide 3 - Sleepvraag

Deze slide heeft geen instructies

Parlement
Kabinet
Wetgevende macht
Uitvoerende macht
Verantwoording afleggen
Ministers
Kamerleden
Staatssecretarissen
Controlerende taak
Geen oppositiepartijen
Eerste Kamer
Regeerakkoord
Tweede Kamer
Volksvertegenwoordiging
Formatie
Coalitie- en oppositie

Slide 4 - Sleepvraag

Deze slide heeft geen instructies

De partijen in de volksvertegenwoordiging buiten de regering.
De samenwerkende regeringspartijen in de volksvertegenwoordiging.
De uitvoerende macht in Nederland, bestaat uit de Koning en de ministers.
De regering
Oppositie
Coalitie

Slide 5 - Sleepvraag

Deze slide heeft geen instructies

Sleep de juiste wet naar de bijpassende institutie
Sleep de juiste instelling naar de institutie
De Kieswet 
De regering 
Controleren wetten 
De Kamer
De Rechter
De Kiesraad 

Slide 6 - Sleepvraag

Deze slide heeft geen instructies

Sleep de juiste wet naar de bijpassende institutie
Sleep de juiste instelling naar de juiste institutie
Onderwijs
Zorg
Sociale zekerheid
Ziekenhuizen
UWV
Leerplicht ambtenaar

Slide 7 - Sleepvraag

Deze slide heeft geen instructies

Politieke institutie
Sociale institutie
Docent een hand geven bij binnenkomst
De fractie-assistent brengt Mark Rutte iedere ochtend een bakje koffie
Poldermodel
Koning Willem leest gezellig voor uit zijn troonrede

Slide 8 - Sleepvraag

Deze slide heeft geen instructies

Wat is de rol van de oppositie?
A
Voert beleid uit
B
Bepaalt de regeringsvorming
C
Controleert de coalitie
D
Stelt alternatieve voorstellen voor

Slide 9 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Welke waardes zijn belangrijk in postmaterialisme?
A
Onverschilligheid voor sociale kwesties
B
Milieu, sociale rechtvaardigheid, cultuur
C
Vastzetten van rijkdom
D
Maximalisatie van winst en bezit

Slide 10 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Een kenmerk van materialisme is?
A
Grote nadruk op materiële bezittingen
B
Zoeken naar spirituele vervulling
C
Kritiek op consumptiegedrag
D
Waarden van empathie en solidariteit

Slide 11 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Welke partij is meestal conservatief?
A
PVDAGroen
B
SP
C
VVD
D
D66

Slide 12 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Welke partij is meestal progressief?
A
GroenLinks
B
SGP
C
VVD
D
PVV

Slide 13 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Wat is een kenmerk van conservatieve partijen?
A
Focus op sociale gelijkheid
B
Milieuactivisme
C
Behoud van traditionele waarden
D
Ondersteuning van technologische innovaties

Slide 14 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Wat is een kenmerk van progressieve partijen?
A
Versterken van autoriteit
B
Behouden van traditionele waarden
C
Vooruitgang en verandering
D
Economische bezuinigingen

Slide 15 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Conflict
model
Harmonie
model
Overleg
Demonstraties
Poldermodel
Consensus
Strijd
Stakingen

Slide 16 - Sleepvraag

Deze slide heeft geen instructies

Links
Rechts
Midden
Zet de ideologieën op de juiste plek.
Communisme
Socialisme
Liberalisme
Conservatisme
Fascisme

Slide 17 - Sleepvraag

Deze slide heeft geen instructies





Hoe denkt het socialisme over politiek?
Hoe denkt het socialisme over politiek?
A
Socialisten willen meer inspraak voor burgers
B
Linkse socialisten willen meer invloed voor burgers maar rechtse socialisten niet
C
Socialisten willen dat burgers politici kunnen kiezen maar ze zijn geen voorstander van het invoeren van het referendum

Slide 18 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies



Hoe denkt het liberalisme over politiek?
Hoe denkt het liberalisme over politiek?
A
Liberalen willen meer inspraak voor burgers
B
Linkse liberalen willen meer invloed voor burgers maar rechtse liberalen niet
C
Liberalen willen dat burgers politici kunnen kiezen maar ze zijn geen voorstander van het invoeren van het referendum

Slide 19 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies



Hoe denkt het socialisme over economie?
Hoe denkt het socialisme over economie?
A
Socialisten zijn voorstander van economische vrijheid en eigen verantwoordelijkheid.
B
Socialisten willen een belangrijke rol voor de overheid in de economie om te zorgen voor meer gelijkheid
C
Voor socialisten is dit een dilemma; enerzijds naastenliefde belangrijk, anderzijds zijn ze voorstander van eigen verantwoordelijkheid

Slide 20 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies




Hoe denkt het confessionalisme over economie?
Hoe denkt het confessionalisme over economie?
A
Confessionelen zijn voorstander van economische vrijheid en eigen verantwoordelijkheid.
B
Confessionelen willen een belangrijke rol voor de overheid in de economie om te zorgen voor meer gelijkheid
C
Voor confessionelen is dit een dilemma; enerzijds naastenliefde belangrijk, anderzijds zijn ze voorstander van eigen verantwoordelijkheid

Slide 21 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies




Wat hoort er NIET bij het liberalisme?
Welke uitspraak past niet bij het liberalisme?
A
Liberalen zijn voorstander van economische vrijheid en eigen verantwoordelijkheid.
B
Liberalen willen een belangrijke rol voor de overheid in de economie om te zorgen voor meer gelijkheid.
C
Individuele vrijheid is belangrijk, mensen mogen dus zelf weten welke cultuur zij naleven.
D
Linkse liberalen willen meer invloed voor burger maar rechtse liberalen niet.

Slide 22 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Combineer de politieke partij met de juiste ideologie
Confessionalisme
Rechts
Links

Slide 23 - Sleepvraag

Deze slide heeft geen instructies

machtsongelijkheid en machtsoverwicht in een land kunnen leiden tot.....
A
samenwerking
B
institutionalisering
C
conflict
D
sociale cohesie

Slide 24 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

In de afbeelding is sprake van:
A
sociale institutie
B
politieke institutie

Slide 25 - Quizvraag

sociale institutie :
Complex van min of meer geformaliseerde regels die het gedrag van mensen en hun onderlinge relaties reguleren.
politieke institutie :
Complex van min of meer geformaliseerde regels die het gedrag van mensen en hun onderlinge relaties rond politieke machtsuitoefening en
politieke besluitvorming reguleren.
De Trump-aanhangers zorgen er met geweld voor dat de Senaat in het Capitool niet kan vergaderen en beslissen, dit tast de..... van de VS aan
A
externe soevereiniteit
B
interne soevereiniteit
C
geen van beide
D
allebei

Slide 26 - Quizvraag

Interne soevereiniteit = de staat voldoet aan de drie kenmerken van de staat (zie hierboven)
Externe soevereiniteit = betekent dat het staatsgezag niet ondergeschikt is aan het gezag van andere staten.
KERNCONCEPT Institutionalisering (1)
Het               waarbij een                    van waarden en min of meer geformaliseerde             vastgelegd wordt in standaardgedragspatronen, die het gedrag
van mensen en hun onderlinge                reguleren.
                 proces
                  complex
                 regels
             relaties

Slide 27 - Sleepvraag

Deze slide heeft geen instructies

In de afbeelding is sprake van:
A
sociale institutie
B
politieke institutie

Slide 28 - Quizvraag

sociale institutie :
Complex van min of meer geformaliseerde regels die het gedrag van mensen en hun onderlinge relaties reguleren.
politieke institutie :
Complex van min of meer geformaliseerde regels die het gedrag van mensen en hun onderlinge relaties rond politieke machtsuitoefening en
politieke besluitvorming reguleren.
Hoe kun je als burger invloed uitoefenen op het beleid van de overheid?
A
stemmen
B
via een burgerinitiatief
C
in de media aandacht vragen voor een probleem
D
A, B en C

Slide 29 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

KERNCONCEPT Politieke Socialisatie (1)
Het proces van                       en                        van de                           van de groep(en) en de                           waar mensen toe behoren. Het               bestaat uit                                            ,                     en andere vormen van omgang met anderen.
overdracht
politieke cultuur
opvoeding
verwerving
onderwijs
proces
samenleving

Slide 30 - Sleepvraag

Deze slide heeft geen instructies