PS2 - K6 Paragraf D: Grammatik

Hallo liebe Leute
1 / 33
volgende
Slide 1: Tekstslide
DuitsMiddelbare schoolvwoLeerjaar 2

In deze les zitten 33 slides, met interactieve quizzen en tekstslides.

time-iconLesduur is: 50 min

Onderdelen in deze les

Hallo liebe Leute

Slide 1 - Tekstslide

Planung


Vorkenntnisse Grammatik: zwakke werkwoorden o.t.t. & volt.dw

Grammatik: 
  • Uitleg zwakke werkwoorden stam -men/-nen en voltooid dw.
  • Selbstständig machen: Paragraf D: Grammatik: Aufgabe 10-12
Lernziele:
Je kunt de werkwoorden met stam op + -m of -n in de tegenwoordige tijd gebruiken.
Je kunt het voltooid deelwoord van de werkwoorden met stam op + -m of -n gebruiken.

Slide 2 - Tekstslide

Hoe vind je de stam van een werkwoord?

Slide 3 - Open vraag

Regelmatige werkwoorden: wohnen
werkwoord: wohnen, stam:wohn
ich wohn e
du wohn st
er/sie es wohn t
wir wohn en
ihr wohn t
sie wohn en
Sie wohn en


Slide 4 - Tekstslide

Sleep de uitgangen naar de juiste plek
ich
du
er/sie/es/man

wir 
ihr
sie/Sie
spiel
spiel
spiel

spiel
spiel
spiel
-e
-st
-t
-en
-en
-t

Slide 5 - Sleepvraag


Hallo, ich _____ Jan.
A
heiße
B
heiß
C
heißen
D
heißt

Slide 6 - Quizvraag


Wir _____ heute zum Strand
A
gehe
B
geht
C
gehen
D
gehet

Slide 7 - Quizvraag

Mein Bruder (spielen) …….. mit dem Ball

Slide 8 - Open vraag

Ich (schreiben) …… einen Brief

Slide 9 - Open vraag

Regelmatige werkwoorden: met stam op -s/-ß/-z
werkwoord: heißen, stam:heiß
ich heiß e
du heiß t
er/sie es heiß t
wir heiß en
ihr heiß t
sie heiß en
Sie heiß en


Slide 10 - Tekstslide

Regelmatige werkwoorden: met stam op -t/-d
werkwoord: arbeiten, stam:arbeit
ich arbeit e
du arbeit est
er/sie es arbeit et
wir arbeit en
ihr arbeit et
sie arbeit en
Sie arbeit en


Slide 11 - Tekstslide

Bij welke persoonsvormen krijg je bij een stam op d/t een extra e?

bijvoorbeeld: finden, warten
A
du, ihr, wir
B
du, er/sie/es, ihr
C
ich, er/sie/es, ihr
D
ich, wir, sie/Sie

Slide 12 - Quizvraag

mieten

ihr
A
miete
B
mietest
C
mietet
D
mieten

Slide 13 - Quizvraag

Warum (warten) ............. du nicht?

Slide 14 - Open vraag

Warum ... er nicht?
A
antwortet
B
antwortest
C
antworted
D
andworest

Slide 15 - Quizvraag

(Machen) ...... du gern Sport in deiner Freizeit?
A
Macht
B
Mache
C
Machst
D
Machen

Slide 16 - Quizvraag

Voltooid deelwoord maken
ge + stam + t

wohnen - gewohnt
spielen - gespielt

Slide 17 - Tekstslide

Hoe maak je het voltooid deelwoord in het Duits?
Noteer de basisregel.

Slide 18 - Open vraag

uitzondering voltooid deelwoord
1. Bij werkwoorden met stam op -d/-t een extra 'e'. - warten - gewartet

2 . Werkwoorden met stam op -ieren = geen 'ge': fotografieren - fotografiert

3. Werkwoord begint met be/ver/emp/über = geen 'ge': verdienen - verdient

4. Sterke werkwoorden en onregelmatige werkwoorden = voltooid                            deelwoord. uit hoofd leren (Lernliste) : sein - gewesen, essen - gegessen

Slide 19 - Tekstslide


volt. dw. van kaufen is:
A
gekauft
B
kauft
C
kaufet
D
gekaufen

Slide 20 - Quizvraag

volt. dw. van studieren is:
A
gestudiert
B
studiert
C
gestudieret
D
studieret

Slide 21 - Quizvraag


volt. dw. van antworten is:
A
geantwortt
B
geantwort
C
antworten
D
geantwortet

Slide 22 - Quizvraag


volt. dw. van schwimmen is:
A
schwimmen
B
geschwimmt
C
schwommen
D
geschwommen

Slide 23 - Quizvraag

Werkwoorden met stam -men / -nen

Denk na + noteer                                                                            Zeit:  2 Minuten. 
1. Welke verschil zie je bij stam op men/nen bij welke vormen? Waarom denk je?
2. Hoe zou het voltooid deelwoord eruit zien bij deze werkwoorden?
*atmen, regnen, rechnen, öffnen, zeichnen

Slide 24 - Tekstslide

voltooid deelwoord werkwoorden met stam op - men/- nen
Als de stam van het werkwoord op -nen & -men eindigt, vorm je het voltooid deelwoord als volgt:
GE + STAM + ET     (net als stam op d of t)

Bijvoorbeeld:
atmen - Der Patient hat schwer geatmet.
zeichnen - Du hast ein schönes Bild gezeichnet.

Slide 25 - Tekstslide

Seit wann ... du?
A
reitet
B
reitest

Slide 26 - Quizvraag

Ihr ... aber viel!
A
chattest
B
chattet
C
chatst
D
chattert

Slide 27 - Quizvraag

Tim und Laura ... nicht mehr mit mir.
A
reden
B
redet
C
red
D
redest

Slide 28 - Quizvraag

reden
... du gern über Geld?

Slide 29 - Open vraag

antworten
Ich ... immer schnell im Chat.

Slide 30 - Open vraag

arbeiten
Mein Freund ... in einem Kleidergeschäft.

Slide 31 - Open vraag

finden
Wie ... du den neuen Supermarkt?

Slide 32 - Open vraag

Paragraf D: Grammatik
Selbstständig machen: Aufgaben D
Hulpmiddel: Boek Lernübersicht K6 
Zeit: 20 Minuten
Fertig =
  • Lernen: K6 Lernliste Paragraf B: Wortschatz (NL-DU)

Slide 33 - Tekstslide