Examentraining BKPM Les 2

Examentraining BKPM Les 2
1 / 23
volgende
Slide 1: Tekstslide
DuitsMiddelbare schoolvmboLeerjaar 4

In deze les zitten 23 slides, met tekstslides.

time-iconLesduur is: 25 min

Onderdelen in deze les

Examentraining BKPM Les 2

Slide 1 - Tekstslide

Examentraining

Slide 2 - Tekstslide

Inhalt
-Korte herhaling
-Vraagsoorten deel 2
-Blooket met de examenwoorden

Slide 3 - Tekstslide

De Gatenvraag
In een gatentekst is een woord of woordgroep uit de tekst weggelaten. Je moet het juiste woord uit drie of vier mogelijkheden kiezen. Het gaat hierbij vaak om zogenoemde signaalwoorden.

De weggelaten woorden zijn altijd uit de context af te leiden en hebben vaak betrekking op een logisch verband in de tekst. Het is dus heel belangrijk dat je de zinnen voor en na het gat goed leest en begrijpt. Voorspel op basis van wat je hebt gelezen om wat voor soort verband het gaat tussen het deel voor en na het gat. Moet er iets positiefs of negatiefs worden ingevuld?



Slide 4 - Tekstslide

Strategieën: Gatenvraag
Algemeen:
oriënterend lezen
voorkennis activeren
globaal lezen
scannend lezen
woordenboek gebruiken


Specifiek:
  • betekenis of functie van antwoordmogelijkheden erbij schrijven
  • gebruikmaken van de functie van signaalwoorden
  • antwoordopties verdelen in positieve en negatieve en zo een deel wegstrepen









Slide 5 - Tekstslide

Voorbeeld: Gatenvraag

Slide 6 - Tekstslide

De Functievraag
Een tekst bestaat uit een inleiding, een middenstuk en een slot. Deze opbouw geeft de tekst structuur. De tekstdelen zijn verdeeld in alinea’s. Dat maakt de tekst overzichtelijker. Elke alinea heeft binnen de tekst een functie. Deze functie geeft je informatie over het verband tussen de alinea’s. Alinea’s kunnen bijvoorbeeld iets uitleggen, een voorbeeld geven of iets tegenspreken. Alinea’s komen vaak voor in vaste ‘paren’. Zo volgt op een beschrijving van een probleem in de volgende alinea meestal een oplossing.

Er komen regelmatig examenvragen voor waarin gevraagd wordt naar de functie van een alinea, de verhouding tussen twee alinea’s of tussen twee zinnen in een alinea.



Slide 7 - Tekstslide

Strategieën: Functievraag
Algemeen:
oriënterend lezen
voorkennis activeren
globaal lezen
scannend lezen
woordenboek gebruiken


Specifiek:
  • betekenis of functie van antwoordmogelijkheden erbij schrijven
  • gebruikmaken van de functie van signaalwoorden
  • eerste en/of laatste zin van de alinea lezen
  • kernwoorden en -zinnen markeren










Slide 8 - Tekstslide

Voorbeeld: Functievraag
Examen vmbo GL/ TL --> 2017 --> tijdvak 1 --> tekst 7



Slide 9 - Tekstslide

Wist je dat …
Het bij meerkeuzevragen kan helpen om eerst zelf een antwoord te formuleren? Daarna lees je pas de meerkeuzeopties en kies je degene die het meest op jouw eigen antwoord lijkt. Zo word je minder snel door afleiders in verwarring gebracht.

Slide 10 - Tekstslide

De Citeervraag (PM)
Citeervragen zijn een vorm van open vragen, je moet zelf naar een antwoord op zoek. Bij een citeervraag moet je als antwoord één of meerdere woorden letterlijk uit de tekst overschrijven, in het Duits. Bijvoorbeeld een naam of begrip of de eerste twee woorden van de zin waarin het goede antwoord staat.


Slide 11 - Tekstslide

Strategieën: Citeervraag
Algemeen:
oriënterend lezen
voorkennis activeren
globaal lezen
scannend lezen
woordenboek gebruiken


Specifiek:
  • eerst de alinea/tekst scannen op bepaalde begrippen
  • woorden uit het citaat opzoeken
  • gebruikmaken van de functie van signaalwoorden
  • antwoordaanwijzingen achteraf checken (precies dat antwoorden wat er gevraagd wordt)










Slide 12 - Tekstslide

Voorbeeld: Citeervraag

Slide 13 - Tekstslide

De Lang-antwoordvraag (PM)
Lang-antwoordvragen zijn open vragen. Bij een open vraag moet je zelf een antwoord formuleren en kun je dus niet uit meerkeuzeopties kiezen. De vragen worden altijd in het Nederlands gesteld en je moet ze ook in het Nederlands beantwoorden.


In lang-antwoordvragen staan vaak specifieke eisen waaraan het antwoord moet voldoen. Voorbeelden hiervan zijn: ‘leg in 1 zin uit’ of ‘Noem twee andere voorbeelden’. Let hier goed op als je antwoord geeft. Het heet een lang-antwoordvraag, omdat je altijd moet antwoorden met een hele zin in plaats van een paar steekwoorden of een citaat.





Slide 14 - Tekstslide

Strategieën: Lang-antwoordvraag 
(PM)
Algemeen:
oriënterend lezen
voorkennis activeren
globaal lezen
scannend lezen
woordenboek gebruiken


Specifiek:
  • eerst de alinea/tekst scannen op bepaalde begrippen
  • woorden uit de tekst opzoeken
  • vetgedrukte woorden in de vraag als aanwijzing gebruiken
  • gebruikmaken van verwijswoorden
  • antwoorden in duidelijke, hele zinnen











Slide 15 - Tekstslide

Voorbeeld: Lang-antwoordvraag (PM)

Slide 16 - Tekstslide

Wist je dat …
Als je bijvoorbeeld drie redenen moet geven en je schrijft er vier op, je leraar alleen de eerste drie antwoorden mag beoordelen? Dus als je derde reden fout is, maar je vierde wel goed, mag hij daar helaas toch geen punten voor geven. Houd je goed aan de gevraagde aantallen.

Slide 17 - Tekstslide

Wist je dat …
Lang-antwoordvragen vaak twee of meer punten waard zijn? Het is dus wel de moeite waard om hier even de tijd voor te nemen.

Slide 18 - Tekstslide

De Inhoudsvraag
Je hebt al verschillende soorten meerkeuze-examenvragen geoefend. Nu de laatste soort: de inhoudsvraag. Deze vraagsoort komt in elk examen meerdere keren voor. De vraag gaat over de inhoud van de tekst. Soms wordt deze vraag in het Nederlands gesteld, soms in het Duits (Basis is altijd in het Nederlands). Je vindt het antwoord op deze vraag niet letterlijk terug in de tekst. Het antwoord is met andere woorden omschreven.



Slide 19 - Tekstslide

Strategieën: Inhoudsvraag
Algemeen:
oriënterend lezen
voorkennis activeren
globaal lezen
scannend lezen
woordenboek gebruiken

Specifiek:
  • woorden uit de tekst opzoeken
  • tekstgedeeltes nauwkeurig lezen
  • eerst zelf een antwoord in het Nederlands formuleren
  • foute antwoorden wegstrepen










Slide 20 - Tekstslide

Voorbeeld: Inhoudsvraag

Slide 21 - Tekstslide

Leesstrategieën 
Scannen:
Omdat er gericht gevraagd wordt naar bepaalde, concrete informatie, hoef je meestal niet de hele tekst te lezen en te begrijpen, maar doorzoek je de tekst op bepaalde woorden. Dit gericht lezen heet scannen.

Globaal lezen:
Je kunt een tekst ook globaal lezen; dan lees je hem vlug door zodat je de grote lijnen van de tekst begrijpt. Als je dan weet, waar het antwoord op je vraag staat, ga je die passage nauwkeurig lezen. Dit betekent dat je probeert iedere zin te begrijpen en soms ook het woordenboek daarbij nodig hebt. Dit noem je leesstrategieën.

Slide 22 - Tekstslide

Wist je dat …
Signaalwoorden verbanden aangeven in de tekst? Leer deze uit je hoofd, want ze gaan je helpen het goede antwoord sneller te vinden!

Slide 23 - Tekstslide