5.2 politiek Nederland

5.2 politiek Nederland
1 / 35
volgende
Slide 1: Tekstslide
GeschiedenisMiddelbare schoolhavo, vwoLeerjaar 2

In deze les zitten 35 slides, met interactieve quizzen en tekstslides.

time-iconLesduur is: 45 min

Onderdelen in deze les

5.2 politiek Nederland

Slide 1 - Tekstslide

Programma
  • wat weten we eigenlijk allemaal?
  • uitleg 5.2
  • check
  • afsluiten  

Slide 2 - Tekstslide

Hoeveel leden telt de Tweede Kamer?
A
75
B
100
C
150
D
200

Slide 3 - Quizvraag

Wie zitten er in de regering?
A
Eerste en Tweede Kamer
B
Koning + Tweede Kamer
C
Koning + Ministers
D
Koning + Eerste Kamer

Slide 4 - Quizvraag

Wat is het kabinet?
A
Alle ministers
B
Alle mensen van de regering
C
De Tweede Kamer
D
Het volk

Slide 5 - Quizvraag

Wat is de volksvertegenwoordiging in Nederland?
A
Eerste Kamer
B
Tweede Kamer
C
Regering
D
Staten - Generaal

Slide 6 - Quizvraag

Het parlement is onze volksvertegenwoordiging. Hoe wordt het parlement gekozen?
A
Door de burgemeester.
B
Door de Koning.
C
Door de burgers.
D
Door de minister-president.

Slide 7 - Quizvraag

Nederland is een constitutionele monarchie
A
waar
B
niet waar

Slide 8 - Quizvraag

aan het eind van de les
  • weet je hoe Nederland werd bestuurd tussen 1815 en 1848
  • je kunt verklaren waarom in 1848 de grondwet wijzigde
  • je weet wat er vanaf 1848 veranderde in de grondwet  

Slide 9 - Tekstslide

voorafgaand..
  • Franse Revolutie (1789) --> staatsgreep Napoleon
  • Lodewijk Napoleon wordt koning van Nederland
  • maar, Napoleon wordt in 1813 verslagen --> wat nu?

Slide 10 - Tekstslide

Congres van Wenen (1815)
Doel: vrede in Europa + herstellen machtsevenwicht
  • Herstellen absolutisme (restauratie) -> einde verlichting 
  • Voormalig verdreven vorsten  terug: Lodewijk XVIII in FR. Willem van Oranje- Nassau (I) in NL
  • Stichting Koninkrijk der Verenigde Nederlanden: België als bufferstaat tegen FR & FR. verliest oostelijke gebieden aan Pruissen

Slide 11 - Tekstslide

Op het Congres van Wenen in 1815 werd …


A
Afrika verdeeld onder belangrijke westerse mogendheden.
B
Nederland samengevoegd met de Zuidelijke Nederlanden.
C
België onafhankelijk verklaard van Nederland
D
De Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden gesticht

Slide 12 - Quizvraag

Koning Willem I
  • NL wordt constitutionele monarchie: vorst moet zich houden aan grondwet
  • NL wordt gecentraliseerde eenheidsstaat

  •  invoering volksvertegenwoordiging (Tweede Kamer, gekozen door Provinciale Staten ) 
  • koning kiest eerste kamer

  • ondanks grondwet: koning absoluut verlicht vorst

Slide 13 - Tekstslide

Hoe bestuurde Willem I de Nederlanden?
A
Willem I was een vorst die vooral samenwerkte met het parlement om de wetten te maken.
B
Willem I was geïnspireerd door de Verlichting en bestuurde op deze manier.
C
Willem I regeerde als autocraat, hij had praktisch alle macht in handen.
D
Willem I hield rekening met de Trias Politica in zijn bestuur. Dat vond hij belangrijk.

Slide 14 - Quizvraag

Waaruit blijkt dat koning Willem I erg veel macht had?

Willem I:
A
benoemde & ontsloeg ministers
B
benoemde de leden van de Eerste Kamer
C
was de baas van het leger en ging over de financiën
D
alle antwoorden zijn juist

Slide 15 - Quizvraag

Noord/Zuid
Veel verschillen tussen Noord en Zuid Nederland & werden gediscrimineerd:
  • Zuiden was katholiek, Noorden protestants
  • Zuiden industrie, Noorden nijverheid
  • Zuiden veel Frans gesproken
  • Zuiden veel meer inwoners, maar evenveel vertegenwoordigers in parlement
  • Zuiden moest meer belasting betalen

  • Dit leidde tot een opstand en de afscheiding van België in 1830

Slide 16 - Tekstslide

Weinig verandering
  • grote groep conservatieven in NL -> koning moet land besturen, ministers als raadgever 
  • angst voor teveel inspraak volk ->  verliezen macht van de ministers  

Slide 17 - Tekstslide

Ideologie?
  • Ideeën vormen de basis van een ideologie
  • Een ideologie is een verzameling ideeën met een gemeenschappelijke gedachte:
  • Liberalisme: vrijheid
  • Socialisme: gelijkheid
  • Beide ideologieën komen uit de Verlichting

Slide 18 - Tekstslide

Liberalisme
  • John Locke: recht op beschermen privébezit tegen overheid
  • Adam Smith: vrije markt reguleert zichzelf (vraag + aanbod, concurrentie)
  • Conclusie: overheid bemoeit zich niet met economie of privé leven
  • In de 19de eeuw zijn fabriekseigenaren én de regering liberaal
  • Gevolg: géén sociale wetten

Slide 19 - Tekstslide

Wat is het liberalisme?
A
Politieke stroming die opkomt voor zoveel mogelijk gelijkheid voor alle burgers.
B
Politieke stroming die opkomt voor zoveel mogelijk vrijheid voor alle burgers.
C
Economische stroming die opkomt voor zoveel mogelijk vrijheid voor alle burgers.
D
Economische stroming die opkomt voor zoveel mogelijk gelijkheid voor alle burgers.

Slide 20 - Quizvraag




Wat hoort er NIET bij het liberalisme?
Wat hoort er NIET bij het liberalisme?
A
Liberalen zijn voorstander van economische vrijheid en eigen verantwoordelijkheid.
B
Liberalen willen een belangrijke rol voor de overheid in de economie om te zorgen voor meer gelijkheid.
C
Individuele vrijheid is belangrijk, mensen mogen dus zelf weten welke cultuur zij naleven.

Slide 21 - Quizvraag

Socialisme
  • Industriële samenleving: slechte woon- + werkomstandigheden arbeiders
  • Karl Marx: arbeiders zullen in opstand komen en kapitaal gelijk verspreiden
  • Sociale kwestie: groeiend besef dat de overheid de arbeiders moet helpen
  • Communisme: gelijkheid door geweld
  • Sociaal-democratie: gelijkheid via parlement

Slide 22 - Tekstslide

Wat is socialisme?
A
streven naar een samenleving met zoveel mogelijk vrijheid
B
streven naar een maatschappij zonder bestuur
C
streven naar een samenleving waarin mensen een bestuur kiezen
D
streven naar een samenleving met zoveel mogelijk gelijkheid

Slide 23 - Quizvraag





Hoe denkt het socialisme over politiek?
Hoe denkt het socialisme over politiek?
A
Socialisten willen meer inspraak voor burgers
B
Linkse socialisten willen meer invloed voor burgers maar rechtse socialisten niet
C
Socialisten willen dat burgers politici kunnen kiezen maar ze zijn geen voorstander van het invoeren van het referendum

Slide 24 - Quizvraag

Liberalisme / socialisme
Liberalisme:
  • - Tegen overheidsbemoeienis
  • - Vóór de zakenwereld, vrijhandel en winst
  • - Vóór privé bezit: egoïstisch?
    • Socialisme:
    • - Gelijkheid
    • - Vóór de groep, tegen het individu
    • - Vrij denken, tegen de kerk

    Slide 25 - Tekstslide

    1848
    • België: onafhankelijk in 1830 -> Liberale grondwet 
    • Ondanks grondwet regeert Willem II als een absoluut vorst --> steun conservatieven
    • 1848: revolutiejaar --> liberalen eisen vrijheden van Franse Revolutie
    • Uit angst afgezet te worden geeft Willem II de liberaal Thorbecke de opdracht een nieuwe grondwet te maken

    Slide 26 - Tekstslide

    Waarom gaf Willem II in 1848 Thorbecke de opdracht om een nieuwe grondwet te schrijven?
    A
    De grondwet van 1815 was in zijn ogen verouderd
    B
    De koning was bang dat er in Nederland een revolutie zou uitbreken
    C
    De koning wilde de burgers meer invloed in het bestuur geven
    D
    De liberalen hadden de meeste stemmen gekregen

    Slide 27 - Quizvraag

    Was er sprake van echte democratie door Thorbecke?
    A
    Ja, er mocht gestemd worden
    B
    Nee, want vrouwen mochten nog niet stemmen
    C
    Nee, de koning had nog te veel macht
    D
    Nee,maar een hele kleine groep burgers mocht stemmen

    Slide 28 - Quizvraag

    Grondwet
    • Ministeriële verantwoordelijkheid: ministers zijn verantwoordelijk voor beleid 
    • Koning is onschendbaar
    • parlementair stelsel
    • Tweede Kamer gekozen via censuskiesrecht 
    • Uitbreiding grondrechten (vrijheid van meningsuiting, vrijheid van geloof etc.) 

    Slide 29 - Tekstslide

    Benoemt
    Kiest
    Verantwoording

    Slide 30 - Tekstslide

    Voorbeelden van de grondwet van 1848 zijn:
    A
    Censuskiesrecht, Ministeriele verantwoordelijkheid, parlement krijgt de macht.
    B
    Algemeen kiesrecht, Pensioenrecht en recht van initiatief.
    C
    Algemeen kiesrecht, Ministeriele verantwoordelijkheid, parlement krijgt de macht.
    D
    Censuskiesrecht, Ministeriele verantwoordelijkheid, koning behoudt de macht.

    Slide 31 - Quizvraag

    Waarom was thorbecke tegen het algemeen kiesrecht?
    omdat Thorbecke....
    A
    vrouwen minderwaardig vond
    B
    dacht dat burgerij zelf voordeel wilde halen
    C
    dacht dat niet iedereen slim genoeg was
    D
    bang was voor heerschappij van een dictator

    Slide 32 - Quizvraag

    Wat was geen gevolg van de Grondwet van Thorbecke (1848)?
    A
    Vergroting macht parlement
    B
    Algemeen kiesrecht
    C
    Leden Tweede Kamer direct gekozen
    D
    Inperking macht koning

    Slide 33 - Quizvraag

    Ministeriële verantwoordelijkheid betekent dat
    A
    De minister is verantwoordelijk voor zichzelf
    B
    De minister moet verantwoording afleggen aan de koning
    C
    De minister moet verantwoording afleggen aan het parlement
    D
    De minister moet verantwoording afleggen aan de minister-president

    Slide 34 - Quizvraag

    De koning zegt op tv iets over het vluchtelingenbeleid van de regering. De minister van Binnenlandse Zaken krijgt hierdoor problemen. Waarom?
    A
    De koning is niet altijd aanwezig in de Tweede Kamer dus de minister beantwoordt de vragen
    B
    De koning is onschendbaar, hij mag daarom zeggen wat hij wil.
    C
    De minister is de woordvoerder van de koning
    D
    De koning is onschendbaar en de minister verantwoordelijk

    Slide 35 - Quizvraag