Blok 5 - les 1 - (mis)communicatie

Gaan de kinderen echt naar Eurodisney?
Waarom denk je dat?
Wie heeft verteld dat de kinderen naar Eurodisney gaan?
De jongen wil graag naar Eurodisney. Aan welke zin zie je dat?
1 / 29
volgende
Slide 1: Tekstslide
TaalBasisschoolGroep 5

In deze les zitten 29 slides, met interactieve quizzen en tekstslides.

time-iconLesduur is: 30 min

Onderdelen in deze les

Gaan de kinderen echt naar Eurodisney?
Waarom denk je dat?
Wie heeft verteld dat de kinderen naar Eurodisney gaan?
De jongen wil graag naar Eurodisney. Aan welke zin zie je dat?

Slide 1 - Tekstslide

lesdoel
Ik leer woorden bij het thema (mis)communicatie en
ik leer hoe je uitdrukkingen gebruik.

Slide 2 - Tekstslide

het advies
de raad, de tip




De juf geeft ons weer een goed advies.

Slide 3 - Tekstslide

de inhoud
1. Wat ergens in zit of wat je erin kunt doen.
2. Alles wat in de tekst staat.




1. Wat is de inhoud van de fles?
2. De inhoud van een boek kun je vaak terugvinden in de inhoudsopgave.

Slide 4 - Tekstslide

de mening
   hoe je over iets denk,
wat je ergens van vindt.


Naar mijn mening hebben groep 5 en 6 vandaag een groene smiley verdiend.

Slide 5 - Tekstslide

het voorbeeld
Iets wat je zegt om je uitleg duidelijker te maken.


Naar mijn mening hebben groep 5 en 6 vandaag een groene smiley verdiend.

Slide 6 - Tekstslide

Slide 7 - Tekstslide

Geen blad voor de mond nemen.
meteen zeggen wat je ergens van denkt
Hij neemt geen blad voor de mond, maar hij geeft altijd meteen zijn mening.
Dat kan heel irritant zijn.

Slide 8 - Tekstslide

iemand naar de mond praten
zeggen wat iemand volgens jou graag hoort
Zij heeft geen eigen mening, maar praat altijd iemand naar de mond.

Slide 9 - Tekstslide

ergens oren naar hebben
ergens wel zin in hebben
Vanmiddag lekker samen spelen, daar heb ik wel oren naar.

Slide 10 - Tekstslide

in de puree zitten

grote problemen hebben
dan zit hij echt in de puree.
Als ze erachter komen dat mijn broer die steen door het raam heeft gegooid,

Slide 11 - Tekstslide

in het water vallen

mislukken of niet doorgaan
Mijn feestje is in het water gevallen.
Door corona ging mijn feest niet door, het is helemaal misgegaan.

Slide 12 - Tekstslide

iemand op zijn woord geloven
Iets geloven, omdat iemand het zegt, hij hoeft het niet te bewijzen.
Geloof jij een influencer op zijn of haar woord. Of wil jij bewijzen zien?

Slide 13 - Tekstslide

Iemand woorden in de mond leggen
Net doen of iemand iets gezegd heeft.
Mijn broertje zegt dat ik heb beloofd met hem te spelen. Dat is niet waar, hij legt mij de woorden in de mond.

Slide 14 - Tekstslide

ergens geen woorden voor hebben
Stomverbaasd zijn.
Toen ik het cadeau zag dat mijn ouders voor mij hadden gekocht was ik stomverbaasd. Ik had er geen woorden voor.

Slide 15 - Tekstslide

Slide 16 - Tekstslide

Wat doe je als je een uitdrukking gebruikt?
A
Dan zeg je precies wat je bedoelt.
B
Dan zeg je iets, maar je bedoelt iets anders.
C
Dan zegt je iets wat niet waar is.

Slide 17 - Quizvraag

Wat betekent de uitdrukking?
geen blad voor de mond nemen
ergens oren naar hebben
iemand op zijn woord geloven
ergens geen woorden voor hebben
iemand woorden in de mond leggen
stomverbaasd zijn
iets geloven omdat iemand het zegt
ergens wel zin in hebben
meteen zeggen wat je ergens van denkt.
net doen of iemand iets heeft gezegd

Slide 18 - Sleepvraag

Welke uitdrukking geeft aan dat er een probleem is?
Waar of niet waar?
Het regnt altijd als er schoolfeest is.

Slide 19 - Tekstslide

Is de minister blij met het verhaal in de krant?
Welke uitdrukking maakt duidelijk wat hij van het verhaal vindt?
Welke andere uitdrukking gebruikt de minister?

Slide 20 - Tekstslide

Welke zinnen horen bij elkaar?
Ik praat altijd met Iris mee.
Ik heb echt zin om op judo te gaan.
Sara is altijd eerlijk.
Ik zeg altijd precies wat ik denk.
Ik geloof haar op haar woord.
Ik neem geen blad voor de mond.
Ik heb er wel oren naar.
Ik praat haar naar de mond.

Slide 21 - Sleepvraag

Vul het goede woord in?
A
mening
B
voorbeeld
C
inhoud
D
advies

Slide 22 - Quizvraag

Vul het goede woord in?
A
mening
B
voorbeeld
C
inhoud
D
advies

Slide 23 - Quizvraag

Vul het goede woord in?
A
mening
B
voorbeeld
C
inhoud
D
advies

Slide 24 - Quizvraag

Vul het goede woord in?
A
mening
B
voorbeeld
C
inhoud
D
advies

Slide 25 - Quizvraag

Wat betekent de uitdrukking? Wat denk jij?
een dode taal?
A
een taal die niet meer bestaat
B
een taal die niet meer in een land wordt gesproken, maar nog wel bestaat.

Slide 26 - Quizvraag

Wat betekent de uitdrukking? Wat denk jij?
in alle talen zwijgen
A
helemaal niets zeggen
B
niet weten in welke taal je iets moet zeggen

Slide 27 - Quizvraag

Wat betekent de uitdrukking? Wat denk jij?
taal nog teken geven
A
zwijgen en ook niet gebaren als iemand iets vraagt
B
helemaal niks van je laten horen

Slide 28 - Quizvraag

aan het werk
lees en leer de woorden en uitdrukkingen nog een keer.

Genoeg geleerd:
Taalblobs

Slide 29 - Tekstslide