In deze les zitten 26 slides, met interactieve quizzen en tekstslides.
Lesduur is: 45 min
Onderdelen in deze les
Rekenen oefenen
Slide 1 - Tekstslide
In een flatgebouw kunnen 440 mensen wonen. Er wonen nu 348 mensen. Hoeveel mensen kunnen er nog bij?
A
81
B
92
C
74
D
103
Slide 2 - Quizvraag
2 x 9 =
A
9
B
17
C
18
D
19
Slide 3 - Quizvraag
Mink spaart voor een bestuurbare auto. Deze kost 85 euro. Voor zijn verjaardag kreeg hij van opa 19 euro. Met klusjes doen heeft hij ook nog 33 euro gespaard. Hoeveel euro moet hij nog sparen?
A
33 euro
B
22 euro
C
34 euro
D
27 euro
Slide 4 - Quizvraag
3 x 11 =
Slide 5 - Open vraag
Een flatgebouw heeft 6 verdiepingen. Op iedere verdieping zijn 8 appartementen.
Je wilt weten hoeveel appartementen er zijn. Wat is de som?
A
6 : 8
B
6 x 8
C
6 + 8
D
8 : 6
Slide 6 - Quizvraag
Hoeveel appartementen zijn er?
6 x 8 = ...
A
36
B
25
C
48
D
41
Slide 7 - Quizvraag
9 x 8 =
A
63
B
56
C
88
D
72
Slide 8 - Quizvraag
Fernin moet om half 6 opstaan. Wat staat er dan op zijn digitale horloge?
A
06:30
B
07:30
C
05:30
D
05:45
Slide 9 - Quizvraag
3 x 6 = 19
A
Goed
B
Fout
Slide 10 - Quizvraag
Een hardloopwedstrijd begint om 2 uur. Om half 4 is de wedstrijd klaar. Hoeveel minuten duurde de wedstrijd?
A
60 minuten
B
90 minuten
C
45 minuten
D
120 minuten
Slide 11 - Quizvraag
49 + 33 =
A
82
B
92
C
73
D
72
Slide 12 - Quizvraag
Robin doet vakantiewerk en verdient iedere dag 20 euro. Hoeveel dagen moet hij werken op een set Lego van 200 euro te kunnen kopen?
A
20 dagen
B
5 dagen
C
10 dagen
D
15 dagen
Slide 13 - Quizvraag
Een bloemist heeft 17 bossen tulpen. In elke bos zitten 10 tulpen. Hoeveel tulpen zijn dat samen?
Slide 14 - Open vraag
19 + 34 =
Slide 15 - Open vraag
Rick verkoopt zijn telefoon voor 250 euro. Hij koopt een nieuwe voor 500 euro. Hoeveel geld moet hij bijbetalen voor zijn nieuwe telefoon?
A
500 euro
B
250 euro
C
350 euro
D
200 euro
Slide 16 - Quizvraag
55 + 29 =
A
74
B
84
C
73
D
83
Slide 17 - Quizvraag
Sanne koopt 4 blikjes van 1 euro en nog 5 appels van 20 cent. Hoeveel euro moet Sanne betalen?
A
5 euro
B
2 euro
C
5,20 euro
D
4,80 euro
Slide 18 - Quizvraag
17 + 24 + 36 =
A
66
B
76
C
67
D
77
Slide 19 - Quizvraag
Een vliegtuig vliegt op een hoogte van 700 meter. Hij daalt 56 meter. Hoe hoog vliegt hij dan? ... meter
Slide 20 - Open vraag
Voordat Giovanni aan zijn fietstocht begint staat de teller op 71 kilometer. Aan het einde van de dag staat de teller op 108 km. Hoeveel km heeft Giovanni gefietst?
A
27
B
26
C
37
D
36
Slide 21 - Quizvraag
33 + 27 + 25 =
Slide 22 - Open vraag
Aaldert en Simon kijken een filmpje die 45 minuten duurt. Ze beginnen met kijken om 7 uur. Hoe laat is het filmpje afgelopen?
A
Half 8
B
Kwart over 8
C
Kwart voor 7
D
Kwart voor 8
Slide 23 - Quizvraag
Queennie koopt een stereoset van 420 euro. Daarbij koopt ze ook boxen van 133 euro. Hoeveel moet ze betalen?
A
690
B
437
C
553
D
550
Slide 24 - Quizvraag
Stijn koopt een autootje van 3,80 euro met allemaal munten van 20 cent. Hoeveel munten van 20 cent moet hij betalen?