Basisvaardigheden taal: Les 1 werkwoordspelling

 werkwoorden tegenwoordige tijd  
regel 1 t/m 4  
TAAL
1 / 25
volgende
Slide 1: Tekstslide
NederlandsMiddelbare schoolvmbo k, tLeerjaar 1

In deze les zitten 25 slides, met interactieve quizzen en tekstslides.

time-iconLesduur is: 50 min

Onderdelen in deze les

 werkwoorden tegenwoordige tijd  
regel 1 t/m 4  
TAAL

Slide 1 - Tekstslide

Is iedereen aanwezig?
PRESENTIE

Slide 2 - Tekstslide



Lesdoel en instructie

LESAGENDA

Slide 3 - Tekstslide



Lesdoel: Ik kan werkwoorden in de tegenwoordige tijd vervoegen.

LESDOEL

Slide 4 - Tekstslide

Ik-vorm

Hele werkwoord -en
Dus:
vind-en
word-en
lop-en
IK VIND
IK WORD
IK LOOP
INSTRUCTIE

Slide 5 - Tekstslide


De JIJ/ HIJ/ ZIJ/ HET-vorm is de stam+ T
Dus: 
word + T , JIJ WORDT
blijf + T , JIJ BLIJFT
zet (de t staat er al), JIJ ZET
regenen, regen + T, HET REGENT
Etc.


INSTRUCTIE

Slide 6 - Tekstslide

Meervoudsvorm: 
WIJ, JULLIE, DE JONGENS, FIEKE & NALA:
Hele werkwoord.
WIJ fietsen
JULLIE leren
DE JONGENS worden
FIEKE EN NALA leren

INSTRUCTIE

Slide 7 - Tekstslide

De uitzondering: JIJ erachter = stam

WORD JIJ?
KOM JIJ?
VIND JIJ?
HOUD JIJ?
WIL JIJ?

DUS geen -T!
INSTRUCTIE

Slide 8 - Tekstslide

landen – Ik  ___________ op Fioretti Airport.
dansen – Anne ____________ op Dancarina van Pedro Sampaio.
sjansen – Rick en Bart ____________ met de dames.
vinden – _ ___________ je Florian ook zo’n geweldenaar?

Slide 9 - Tekstslide

Log in voor de quiz
OEFENEN

Slide 10 - Tekstslide

Ik ___ morgen naar de winkel.
A
loop
B
lopen
C
loopt

Slide 11 - Quizvraag

Jij ___ een mooi cadeau voor haar.
A
vindt
B
vinden
C
vind

Slide 12 - Quizvraag

Hij ___ een goede oplossing voor het probleem.
A
vindt
B
vind
C
vinden

Slide 13 - Quizvraag

Ik _____ (vinden) het leuk om te leren.
A
vind
B
vinden
C
vindt

Slide 14 - Quizvraag

Hij _____ (worden) later dokter.
A
wordt
B
worden
C
word

Slide 15 - Quizvraag

Wij _____ (vinden) het belangrijk om te sporten.
A
vind
B
vindt
C
vinden

Slide 16 - Quizvraag

Julie en Marie _____ (worden) gelukkig met deze keuze.
A
word
B
worden
C
wordt

Slide 17 - Quizvraag

Jij _____ (vinden) het leuk, of niet?
A
vinden
B
vindt
C
vind

Slide 18 - Quizvraag

Slide 19 - Tekstslide

Hoe vervoeg je 'willen' voor 'ik'?
A
ik willen
B
ik wilt
C
ik wil

Slide 20 - Quizvraag

Hoe vervoeg je 'willen' voor 'jij'?
A
jij wil
B
jij wilt
C
jij willen

Slide 21 - Quizvraag

Hoe vervoeg je 'willen' voor 'hij/zij'?
A
hij/zij willen
B
hij/zij wil
C
hij/zij wilt

Slide 22 - Quizvraag

Hoe vervoeg je 'gebeuren' in deze zin?
Het _____ (gebeuren) niet vaak dat ik ww-spelling snap.
A
gebeurd
B
gebeurt
C
gebeuren

Slide 23 - Quizvraag


De JIJ/ HIJ/ ZIJ/ HET-vorm is de stam+ T
Dus: 
word + T , JIJ WORDT
blijf + T , JIJ BLIJFT
zet (de t staat er al), JIJ ZET
regenen, regen + T, HET REGENT
Etc.



INSTRUCTIE
HET gebeur-en, dus stam+T, dus het gebeurT.

Slide 24 - Tekstslide

SAMENVATTEND

Slide 25 - Tekstslide