Cours 16 04 04 2025

Chapitre 5 - Dossier Santé
1 / 22
volgende
Slide 1: Tekstslide
FransMiddelbare schoolvwoLeerjaar 2

In deze les zitten 22 slides, met tekstslides.

Onderdelen in deze les

Chapitre 5 - Dossier Santé

Slide 1 - Tekstslide

Objectifs
- ik kan een vraag stellen in het Frans

Slide 2 - Tekstslide

vendredi, 4 avril
apprendre: 
  • vocabulaire  E + F 
  • bloc G phrases clés p. 42
  • leren gesprek uit hoofd


Slide 3 - Tekstslide

Programme pour vendredi, 4 avril
bloc H -  poser une question
                   Comment?
cinéma?

Slide 4 - Tekstslide

Poser une question
En néerlandais
Omdraaien onderwerp en persoonsvorm

Jij bent ziek
Ben jij ziek?

Slide 5 - Tekstslide

Poser une question
1.  vraagteken /vragend uitspreken
     Tu es malade?
2. Est-ce que aan het begin van de zin
     Est-ce que tu es malade?
3.  Omdraaien onderwerp en persoonsvorrm (inversie)
      Es-tu malade?  Mag niet bij namen en zelfstandige naamwoorden
Est-Pierre malade? Est- le chien malade?
!!!!!  Wel mag:   Pierre , est-il malade? 

Slide 6 - Tekstslide

LET OP!!!!!!!
Est-ce que + il + elle + ils + elles + on  = klinkerbotsing
= Est-ce qu'il / qu'elle/ qu'ils/ qu'elles/qu'on

 omdraaien + klinker  il /elle/on a
A-t-il/elle/on  (t ertussen vanwege klinkerbotsing)

Slide 7 - Tekstslide

Test
Maak vragend indien mogelijk op 3 manieren
Tu as la grippe!
Pierre a la grippe!


Slide 8 - Tekstslide

Réponses
Maak vragend indien mogelijk op 3 manieren
Tu as la grippe?
Est-ce que tu as la grippe?
As-tu la grippe?

Pierre a la grippe?
Est-ce que Pierre a la grippe?
omdraaien mag niet  - naam / wel : Pierre, a-t -il  la grippe?


Slide 9 - Tekstslide

Pronom interrogatif = vraagwoorden
waar                     =     où
wie                        =     qui
wanneer             =     quand
hoe                       =      comment
waarom              =      pourquoi
wat                       =      que / qu'est-ce que
hoeveel              =      combien

Slide 10 - Tekstslide

Poser une question?
1.  Est-ce que tu fais la tarte?
2.  Comment est-ce que tu vas au cinéma?
3.  Quand est-ce que tu pars en vacances?
4.  Comment est-ce que ton école s'appelle?
5.  Pourquoi est-ce que tu écoutes la musique classique?
6.  est-ce qu'il habite?

Slide 11 - Tekstslide

Pronom interrogatif = vraagwoorden
Vraag met vraagteken
Tu habites où?     (achter )

Vraag met est-ce que
est-ce que tu habites?  (voor)

Vraag met inversie
habites-tu? (voor)
Let op! geen eigennaam of zelfstnw - Où habite-Pierre? / Pierre, où habite-t-il

Slide 12 - Tekstslide

Pronom interrogatif = vraagwoorden
VRAAGWOORD: QUEL/QUELLE/QUELS/QUELLES = Welke of wat/wat een?
Na een vorm van "être" (EST ET SONT)  in de vraag?

1.  Wat is jouw vraag? =  Quelle est ta question?
2. Wat zijn jouw vakken? Quelles sont tes matières

Voor een zelfstandig naamwoord
1.  Welke dokter heb je liever? - Tu préfères quel docteur?

Slide 13 - Tekstslide

Pronom interrogatif = vraagwoorden

VRAAGWOORD: QUEL/QUELLE/QUELS/QUELLES = Welke of wat/wat een?
- Na een vorm van "être = (est et sont)"  in de vraag
- Voor een zelfstandig naamwoord

- In een uitdrukking met "wat een ........."
Wat een mooie jurk ..... !  Quelle belle robe !!!  Quel past zich aan zelfst nw



Slide 14 - Tekstslide

Poser une question?
1. la tarte – tu fais- est-ce que - ?
2. au cinéma – tu vas – comment - ?
3. est-ce que – quand – tu pars – en vacances - ?
4. s’appelle -comment- ton école- est-ce que - ?
5. tu écoutes – est-ce que – la musique classique - pourquoi - ?
6.  où - il - est-ce que - habite?


Slide 15 - Tekstslide

au travail
bloc D 


Slide 16 - Tekstslide

Tu sais encore?
1. Je suis en forme
2. Vous allez voir le docteur?
3. J'ai eu mal au dos

Slide 17 - Tekstslide

Dialogue
La santé 

Slide 18 - Tekstslide

lundi, 7 avril
apprendre: 
  • bloc H - grammaire page 36 3 et page 37
  • bloc G phrases clés p. 4


Slide 19 - Tekstslide

Slide 20 - Tekstslide

Slide 21 - Tekstslide

Slide 22 - Tekstslide