Johan de Witt Scholengroep

Herhaling 2.1 + 2.2

Herhaling 2.1 + 2.2
Economie B4
1 / 15
next
Slide 1: Slide
EconomieMiddelbare schoolvmbo bLeerjaar 4

This lesson contains 15 slides, with interactive quizzes and text slide.

Items in this lesson

Herhaling 2.1 + 2.2
Economie B4

Slide 1 - Slide

Noem de 3 geldfuncties.

Slide 2 - Open question

Je rekent met je mobieltje een broodje af. Dit is een voorbeeld van.....
A
rekenmiddel
B
spaarmiddel
C
ruilmiddel

Slide 3 - Quiz

De prijs van een bioskoopkaartje is met €2 gestegen.
A
Rekenmiddel
B
ruilmiddel
C
spaarmiddel

Slide 4 - Quiz

Noem twee manieren van elektronisch betalen.

Slide 5 - Open question

Hoe noem je alle munten en bankbiljetten die consumenten en bedrijven bezitten?
A
chartaal geld
B
giraal geld

Slide 6 - Quiz

Een debetsaldo betekent...
A
Je saldo op je betaalrekening is negatief
B
Je saldo op je betaalrekening is positief

Slide 7 - Quiz

Linda staat €100 D rood op haar bankrekening. Via Zara.nl bestelt ze een broek van €50. Haar baas heeft haar salaris van €275 overgemaakt . Bereken haar nieuwe saldo.
A
100
B
125
C
375
D
50

Slide 8 - Quiz

Noem de drie spaarmotieven

Slide 9 - Open question

Op een spaarrekening staat €3500. Je krijgt 1,2 % rente per jaar. Bereken welk bedrag aan rente je na 4 jaar krijgt.

Slide 10 - Open question

Een ander woord voor geleend bedrag is.....
A
sparen
B
rente
C
krediet
D
debet

Slide 11 - Quiz

Wat is geen leenmotief?
A
Je hebt een tijdelijk geldtekort.
B
Je wilt de aankoop van een duurzaam consumptiegoed niet uitstellen.
C
Je wilt een woning kopen. Je sluit dan een hypothecaire lening.
D
Je leent voor de rente.

Slide 12 - Quiz

Hoe bereken je de kredietkosten?
A
(aantal termijnen - termijnbedrag) x lening
B
(aantal termijnen x termijnbedrag) - lening
C
(aantal termijnen + termijnbedrag) x lening
D
(aantal termijnen : termijnbedrag) - lening

Slide 13 - Quiz

Je leent een bedrag en betaalt dat terug in afgesproken aantal vaste termijnen =
A
Een persoonlijke lening
B
Een koop op afbetaling

Slide 14 - Quiz

De hoogt van je rentebedrag is NIET afhankelijk van:
A
Je leeftijd
B
Het rentepercentage
C
De hoogte van het spaarbedrag
D
Hoelang je het geld beschikbaar stelt

Slide 15 - Quiz