Voor een stroomkring teken je een overzichtelijke schema: het schakelschema. Voor elk onderdeel gebruik je een symbool.
1 / 31
next
Slide 1: Slide
NatuurkundeMiddelbare schoolmavoLeerjaar 2
This lesson contains 31 slides, with interactive quizzes and text slides.
Lesson duration is: 50 min
Items in this lesson
Schakelschema
Voor een stroomkring teken je een overzichtelijke schema: het schakelschema. Voor elk onderdeel gebruik je een symbool.
Slide 1 - Slide
6.3 - Schakelingen
Slide 2 - Slide
Lesdoelen voor vandaag
-De leerling heeft het begrip serie/parallel herhaald
-De leerling weet hoe hij/zij een schakelschema moet maken -De leerling kent de basissymbolen die je gebruikt bij een schakeling
Slide 3 - Slide
Serie of parallel schakeling?
Slide 4 - Slide
Serie schakeling
-Hoe zit het met de stroomsterkte in een serie schakeling?
-Hoe zit het met de spanning in een serie schakeling?
parallel schakeling
-Hoe zit het met de stroomsterkte in een parallel schakeling?
-Hoe zit het met de spanning in een parallel schakeling?
Slide 5 - Slide
Schakelschema
Een tekening om alle onderdelen in een elektrische schakeling te laten zien.
Slide 6 - Slide
De 4 tekenregels
Draden tekenen we alleen horizontaal of verticaal.
Afstanden in het schakelschema zeggen niets over echte afstanden.
Plaatsen in het schakelschema zeggen niets over de echte plaatsen..
Het schakelschema moet zo duidelijk mogelijk zijn.
Slide 7 - Slide
Serieschakeling
.
Een serieschakeling heeft maar één route.
De stroomsterkte in die route is overal even groot.
Slide 8 - Slide
Parallelschakeling
Elektrische apparaten worden bijna altijd in parallel geschakeld.
De voordelen hiervan:
1. Je kunt elk apparaat met een eigen schakelaar aan en uit doen.
2. Als één apparaat kappot gaat kunnen de anderen blijven werken. 3. Elk apparaat krijgt de volledige spanning van de spanningsbron.
Slide 9 - Slide
Serie Parallel
Slide 10 - Slide
symbolen voor schakelschema's
Slide 11 - Slide
Slide 12 - Slide
Teken dit schakelschema
timer
1:00
Slide 13 - Slide
Teken dit schakelschema
timer
1:00
Slide 14 - Slide
Teken dit schakelschema
timer
1:40
Slide 15 - Slide
Ga nu zelf aan de slag
Wat? Maak de volgende opdrachten van H6.3 alle vragen behalve de ster opdrachten
Hoe? Doe dit individueel of in duo's. In duo's fluister je zachtjes.
Hoe lang? Tot het einde van de les
Klaar? Maak opdracht ster opdrachten in de online methode!
Slide 16 - Slide
Ik kan nu:
- de eigenschappen van een serieschakeling noemen, een serieschakeling herkennen en een serieschakeling tekenen als schakelschema;
- de eigenschappen van een parallelschakeling noemen, een parallelschakeling herkennen en een parallelschakeling tekenen als schakelschema;
- serie- en parallelschakelingen vergelijken en van elkaar onderscheiden.
Slide 17 - Slide
Serie of parallel schakeling?
A
Serie
B
Parallel
Slide 18 - Quiz
Brandt het lampje?
A
Ja, want het lampje zit in een gesloten stroomkring.
B
Ja, want het lampje is parallel geschakeld.
C
Nee, want de schakeling maakt kortsluiting
D
Nee, want het lampje is niet in serie aangesloten.
Slide 19 - Quiz
Lees goed!
Het lampje 1 en 2 staan
A
Parallel aan elkaar
B
In serie met elkaar
C
in gemengde schakeling met elkaar
Slide 20 - Quiz
Is het een serieschakeling of een parallelschakeling?
A
Serie
B
parallel
C
gemengde schakeling
Slide 21 - Quiz
Is dit een serie of een parallel schakeling?
A
Serie
B
Parallel
Slide 22 - Quiz
Wat is stroomsterkte?
A
de hoeveelheid energie die elektronen meekrijgen
B
Elektrische deeltjes die energie vervoeren.
C
het aantal negatieve deeltjes dat per seconde door de stroomkring gaat.
Slide 23 - Quiz
De stroomsterkte Kies de eenheid van de stroomsterkte
A
Volt
B
Ampère
C
Ohm
D
Watt
Slide 24 - Quiz
Je ziet een schakelschema met een batterij, twee lampjes en een schakelaar. Brandt lampje 1?
A
Ja
B
Nee
Slide 25 - Quiz
Wat is spanning?
A
De energie die het apparaat nodig heeft.
B
De energie die een spanningsbron kan geven.
C
De energie die het apparaat nodig heeft.
D
De energie die de elektronen met zich meedragen.
Slide 26 - Quiz
De spanning Noteer de eenheid van de spanning
A
Volt
B
Ampère
C
Ohm
D
Watt
Slide 27 - Quiz
In een schakelschema is dit het symbool voor een....
A
batterij
B
lamp
C
amperemeter
D
schakelaar
Slide 28 - Quiz
Welk schakelschema klopt?
A
B
C
Het goede antwoord staat er niet tussen
Slide 29 - Quiz
Het schakelschema hiernaast toont een schakeling waarbij alle lampjes branden. Welke lampje gaat uit als je lampje 4 losdraait?
A
Lampje 1
B
Lampje 2
C
Lampje 3
D
Lampje 5
Slide 30 - Quiz
Ga nu zelf aan de slag met PHET
Wat? Je gaat nu aan de slag met het PHET practicum Hoe? Doe dit individueel. De eerste 15 minuten is het 100% stil!!!!!!!!! Hoe lang? Tot het einde van de les Klaar? Maak opdracht: 6, 7, 8 & 11 (blz 141) HUISWERK