This lesson contains 46 slides, with interactive quizzes, text slides and 1 video.
Items in this lesson
Slide 1 - Video
Inleiding
Engelse werkwoorden in het Nederlands
Sommige Engelse werkwoorden worden in het Nederlands gebruikt, zoals deleten, smashen en stressen.
Deze werkwoorden worden vervoegd volgens de Nederlandse regels, maar er zijn enkele bijzonderheden.
Slide 2 - Slide
Wanneer komt er een extra 'e'?
Bij sommige Engelse werkwoorden voegen we een extra 'e' toe in de derde persoon enkelvoud of bij het voltooid deelwoord om de uitspraak vloeiender te maken.
Slide 3 - Slide
Waarom komt er een extra 'e'?
De combinatie van de stam of het voltooid deelwoord met -t zou moeilijk uit te spreken zijn zonder de extra 'e'. De extra 'e' maakt de overgang tussen de letters soepeler.
Slide 4 - Slide
Voorbeeld
Deleten
Stam: delet
Zonder extra 'e': delet-t (moeilijk uit te spreken)
goede antwoord = hij deletet
Met extra 'e': deletet (makkelijker uit te spreken)
Slide 5 - Slide
Welke werkwoordspellingsregels gebruik je bij Engelse werkwoorden?
A
De 'normale' Nederlandse
B
De Engelse
Slide 6 - Quiz
Engelse werkwoorden
Ik heb jaren als webdesigner (freelancen)
A
gefreelancet
B
gefreelanct
C
gefreelanced
D
gefreelancd
Slide 7 - Quiz
(Engelse werkwoorden) Wij hebben (basketballen)
A
gebasketballd
B
gebasketbald
Slide 8 - Quiz
(Engelse werkwoorden) Hij (racen-vt)
A
racte
B
racette
C
racde
D
racete
Slide 9 - Quiz
Engelse werkwoorden
Jij (stressen-tt)
A
stresst
B
strest
C
stresd
D
stressd
Slide 10 - Quiz
(Engelse werkwoorden) Hij (lunchen-vt)
A
lunchte
B
lunchde
C
lunchtte
D
lunchdde
Slide 11 - Quiz
Vervoeging Engelse werkwoorden Kies de juiste schrijfwijze:
A
Hij heeft de hele dag gegamed.
B
Hij heeft de hele dag gegamet.
C
Hij heeft de hele dag gegamt.
D
Hij heeft de hele dag gegamd.
Slide 12 - Quiz
(Engelse werkwoorden) Zij hebben (volleyballen)
A
gevolleybald
B
gevolleyballd
Slide 13 - Quiz
Engelse werkwoorden
A
Schrijf je als de Nederlandse zwakke werkwoorden
B
De ik-vorm heeft vaak dezelfde vorm als de stam
C
Ik-vorm ik pass
hij-vorm hij passt
D
ik-vorm ik skate
verleden tijd skatete
Slide 14 - Quiz
(Engelse werkwoorden) Wij hebben (paintballen)
A
gepaintbald
B
gepaintballd
Slide 15 - Quiz
Engelse werkwoorden Hij heeft de bal over het net (smashen).
A
gesmasht
B
gesmashed
C
gesmashet
D
gesmashd
Slide 16 - Quiz
(Engelse werkwoorden) Hij (timen - vt)
A
timde
B
timdde
C
timete
D
timede
Slide 17 - Quiz
Hoe spel je Engelse werkwoorden?
A
Volgens de Nederlandse spellingsregels
B
Volgens de Engelse spellingsregels
C
Volgens aparte spellingsregels
D
Hangt af van het woord. Sommige spelling volgens Nederlandse regels, andere Engels.
Slide 18 - Quiz
Engelse werkwoorden
Jij (deleten-tt)
A
deletet
B
delet
C
deletete
D
delete
Slide 19 - Quiz
Engelse werkwoorden
Hij ... (timen - vt).
A
Hij timde.
B
Hij timdde.
C
Hij timete.
D
Hij timede.
Slide 20 - Quiz
Vervoeging Engelse werkwoorden Kies de juiste schrijfwijze:
timer
0:15
A
Hij gamet de hele dag.
B
Hij gamed de hele dag.
C
Hij gamt de hele dag.
D
Hij game't de hele dag.
Slide 21 - Quiz
Engelse werkwoorden hoe schrijf je het volgende werkwoord in de hij-vorm, tt: deleten
A
deletet
B
delet
Slide 22 - Quiz
(Engelse werkwoorden) Hij (barbecueën-vt)
A
barbecuedde
B
barbecuede
C
barbecuete
D
barbecuette
Slide 23 - Quiz
Welk Engels werkwoord is correct gespeld?
A
Hij racet naar huis.
B
Ik downloadt die file wel even voor je?
C
Hij heeft de overwinning geclaimt.
D
Zij flirte met hem.
Slide 24 - Quiz
Welke werkwoordspellingsregels gebruik je bij Engelse werkwoorden?
A
De 'normale' Nederlandse
B
De Engelse
Slide 25 - Quiz
Engelse werkwoorden
Ik heb jaren als webdesigner (freelancen)
A
gefreelancet
B
gefreelanct
C
gefreelanced
D
gefreelancd
Slide 26 - Quiz
(Engelse werkwoorden) Wij hebben (basketballen)
A
gebasketballd
B
gebasketbald
Slide 27 - Quiz
(Engelse werkwoorden) Hij (racen-vt)
A
racte
B
racette
C
racde
D
racete
Slide 28 - Quiz
Engelse werkwoorden
Jij (stressen-tt)
A
stresst
B
strest
C
stresd
D
stressd
Slide 29 - Quiz
(Engelse werkwoorden) Hij (lunchen-vt)
A
lunchte
B
lunchde
C
lunchtte
D
lunchdde
Slide 30 - Quiz
Vervoeging Engelse werkwoorden Kies de juiste schrijfwijze:
A
Hij heeft de hele dag gegamed.
B
Hij heeft de hele dag gegamet.
C
Hij heeft de hele dag gegamt.
D
Hij heeft de hele dag gegamd.
Slide 31 - Quiz
(Engelse werkwoorden) Zij hebben (volleyballen)
A
gevolleybald
B
gevolleyballd
Slide 32 - Quiz
Engelse werkwoorden
A
Schrijf je als de Nederlandse zwakke werkwoorden
B
De ik-vorm heeft vaak dezelfde vorm als de stam
C
Ik-vorm ik pass
hij-vorm hij passt
D
ik-vorm ik skate
verleden tijd skatete
Slide 33 - Quiz
(Engelse werkwoorden) Wij hebben (paintballen)
A
gepaintbald
B
gepaintballd
Slide 34 - Quiz
Engelse werkwoorden Hij heeft de bal over het net (smashen).
A
gesmasht
B
gesmashed
C
gesmashet
D
gesmashd
Slide 35 - Quiz
(Engelse werkwoorden) Hij (timen - vt)
A
timde
B
timdde
C
timete
D
timede
Slide 36 - Quiz
Hoe spel je Engelse werkwoorden?
A
Volgens de Nederlandse spellingsregels
B
Volgens de Engelse spellingsregels
C
Volgens aparte spellingsregels
D
Hangt af van het woord. Sommige spelling volgens Nederlandse regels, andere Engels.
Slide 37 - Quiz
Engelse werkwoorden
Jij (deleten-tt)
A
deletet
B
delet
C
deletete
D
delete
Slide 38 - Quiz
Engelse werkwoorden
Hij ... (timen - vt).
A
Hij timde.
B
Hij timdde.
C
Hij timete.
D
Hij timede.
Slide 39 - Quiz
Vervoeging Engelse werkwoorden Kies de juiste schrijfwijze:
timer
0:15
A
Hij gamet de hele dag.
B
Hij gamed de hele dag.
C
Hij gamt de hele dag.
D
Hij game't de hele dag.
Slide 40 - Quiz
Engelse werkwoorden hoe schrijf je het volgende werkwoord in de hij-vorm, tt: deleten