This lesson contains 20 slides, with interactive quizzes and text slides.
Lesson duration is: 30 min
Items in this lesson
Welcome! Today:
Recap - Present perfect & past simple
On your own: 4.2 speaking
Pirates..?
Slide 1 - Slide
Lesson goals:
Aan het eind van deze les weet je...
Het verschil tussen de present perfect & de past simple
Wanneer en hoe je de present perfect & de past simple moet gebruiken/ vormen
in ieder geval minimaal 2 signaalwoorden benoemen van zoewel de past simple als present perfect
Slide 2 - Slide
Practise: I ____ [be] in Nottingham for a week.
present perfect / past simple?
Slide 3 - Open question
They _____ [go] to school this morning.
present perfect / past simple?
Slide 4 - Open question
Present perfect / past simple "How long ______[you/know] Susie for?"
Slide 5 - Open question
Present perfect / past simple "They _____[move] here five years ago."
Slide 6 - Open question
Present perfect / past simple "He ________ [cook] dinner last night."
Slide 7 - Open question
Present perfect / past simple?
He ____ (love) her ever since he met her.
Slide 8 - Open question
Present Perfect / Past Simple They ____ (paint) the door. It is still wet.
Slide 9 - Open question
Vul present perfect / past simple in.
I ... (not - talk) to him for ages!
Slide 10 - Open question
Present perfect
Basis regel om de present perfect te maken:
have/has + voltooid deelwoord
Voltooid deelwoord: 1. regelmatig werkwoord + ed > I have worked 2. onregelmatig werkwoord 3e vorm > to go - went - gone
> I have gone
Slide 11 - Slide
Present perfect
Examples:
I have worked since 3 am.
She has been to London twice.
We have walked for 2 hours now.
Deze zinnen bevatten altijd een vorm van "to have" + het voltooid deelwoord.
Slide 12 - Slide
Present perfect
Gebruik present perfect: 1. iets is in het verleden begonnen en is nu nog aan de gang. 2. praten over ervaringen. 3. iets is in het verleden gebeurd en je merkt nu nog het resultaat.
Slide 13 - Slide
Part 2: Past simple
Slide 14 - Slide
Past simple
De past simple bestaat uit 1 werkwoord. Dit werkwoord zet je in de verleden tijd.
Er zijn 2 manieren waarop je de past simple maakt:
1. werkwoord + ed > worked 2. 2e rij van het onregelmatig werkwoord >
to go - went - gone
Slide 15 - Slide
Past simple
Wanneer gebruik je de past simple? - iets wat in het verleden is gebeurd en is nu afgelopen.
Je kan de past simple herkennen aan woorden als: last year, yesterday, in 2010. Dit zijn tijdsbepalingen, oftewel bekent als "signaalwoorden".
Slide 16 - Slide
Verschil tussen de present perfect en past simple
Wat is het verschil?
Bij depast simple is de actie in het verleden afgelopen.
Bij de present perfect is de actie nog bezig of is er nog een link met het heden.
Slide 17 - Slide
Verschil present perfect en past simple
signaalwoorden:
Present perfect: For, yet, never, ever, just, already, since, how long. Past simple: last year, yesterday, in 2010, an hour ago.
Slide 18 - Slide
Present perfect of past simple?
Volg deze stappen 1. Is het op dit moment aan de gang of van invloed op NU? ja: present perfect- nee: ga naar vraag 2 2. Gaat het over ervaringen tot nu toe? ja: present perfect - nee: ga naar vraag 3. 3. Is het resultaat van de actie nu merkbaar? ja: present perfect - nee: past simple.