Examentrainer Bevolking en ruimte hoofdstuk 5

Welkom bij de examentraining Aardrijkskunde! 
1 / 31
next
Slide 1: Slide
AardrijkskundeMiddelbare schoolvmbo g, tLeerjaar 4

This lesson contains 31 slides, with interactive quizzes and text slides.

Items in this lesson

Welkom bij de examentraining Aardrijkskunde! 

Slide 1 - Slide

Lesplanning 
Aanwezigheid

Mededelingen: Examen aardrijkskunde vrijdag 16 mei 2025 13:30 - 15:30

Uitleg: herhaling hoofdstuk 5 Bevolking en ruimte in Nederland

Maak: vraag 31 t/m 35 uit het examen van 2022

Klassikaal bespreken: paar examenvragen

Lesafsluiter: specifieke vragen over het onderwerp



Slide 2 - Slide

De klas splitsen
Welk hoofdstuk wil je volgen?

Slide 3 - Mind map

Wat weet je nog over
Bevolking en ruimte in Nederland?

Slide 4 - Mind map

Bevolkingsgroei in Nederland
 De bevolking in Nederland is gegroeid van:
  • 1950: 10 miljoen
  • nu: ±18 miljoen

Oorzaken:
1. Natuurlijke bevolkingsgroei: 
     geboorteoverschot = geboortecijfer > sterftecijfer 
2. Sociale bevolkingsgroei:
     vestigingsoverschot = immigratie > emigratie

> = groter dan!

Bevolkingsgroei
natuurlijke bevolkingsgroei + sociale bevolkingsgroei



Slide 5 - Slide

Leeftijdsdiagram
  • De verdeling van mannen en vrouwen
  • De verdeling van jongeren en ouderen

Hoe lees je deze grafiek af?
1. links = mannen, rechts = vrouwen
2. midden = leeftijdsgroepen
3. onder = aantal mensen x 1000 of miljoen


Slide 6 - Slide

3 vormen leeftijdsdiagram: 
piramide, toren en urn
  1. Piramide
  2. Toren
  3. Urn
Piramide 
Herken je aan:
  • brede onderkant = veel jonge mensen
  • smalle bovenkant = weinig ouderen

Dit is vaak een arm land
Toren 
herken je aan:
  • rechte vorm omhoog
  • bijna geen groei/stabiel
  • laag geboortencijfer + laag sterftecijfer
Urn 
herken je aan:
  • smalle onderkant = weinig jongeren
  • veel ouderen = vergrijzing
  • afname bevolking door hoog sterftecijfer
bv. Nederland en Duitsland

Slide 7 - Slide

Migratie(1)
Jaren ‘50 / ‘60: vertrekoverschot
Daarna: Nederland = immigratieland 

4 groepen immigranten:
1. gastarbeiders:
Vanaf 1965, Marokkanen en Turken

2. inwoners van de voormalige koloniën: 
Surinamers, Indonesiërs, Antillianen  voor studie of werk

Slide 8 - Slide

Migratie(2)
 3. Politieke vluchtelingen:
Zij zijn niet veilig in hun eigen land        Irakezen, Syriërs 
 
Soms zijn het ook economische vluchtelingen.


 4. Inwoners andere EU-lidstaten:
  • vooral uit Oost-Europa
  • voor studie of werk
  • seizoensmigratie

Slide 9 - Slide

Toekomst
Het aantal immigranten wordt:
  • groter door gezinshereniging
  • kleiner door remigratie

Waarom blijft Nederland groeien tot 2060? 
  • geboorteoverschot tot 2037. 
  • komst van nieuwe immigranten = vestigingsoverschot

Na 2037 ontstaat een sterfteoverschot:
Maar de bevolking blijft naar verwachting toch groeien door het grotere vestigingsoverschot.

Slide 10 - Slide

Populaire steden
Binnen Nederland zijn grote verschillen in bevolkingsgroei.
De 4 grote steden en de meeste middelgrote steden blijven groeien.

Oorzaken: veel werk, studies, veel voorzieningen.

Gebieden waar de bevolking groeit noem je: groeigebieden.

Amsterdam
Rotterdam
Utrecht
Den Haag

Slide 11 - Slide

Voor- en nadelen
 groeigebieden
Voordelen
  • Gemeenten krijgen meer belastinginkomsten.
  • Bedrijven kunnen meer goed opgeleide werknemers krijgen.
  • Voorzieningen krijgen meer bezoekers en klanten.

Nadelen
  • Tekort aan woningen.
  • Druk op wegen.
  • Wachtlijst voor voorzieningen.

Slide 12 - Slide

Herinrichting 
bij bevolkingsgroei
De groeigebieden moeten blijven bouwen om de bevolkingsgroei aan te kunnen.

Hoe?
  • Aan de rand van steden komt uitbreiding.
  • Herinrichting.
  • Meer woningen, voorzieningen en werk. 
  • Verbetering van infrastructuur.


Leegstaande gebouwen worden opnieuw ingericht. Dit was een leegstaand fabriek, nu veel restaurants.

Slide 13 - Slide

Krimpgebieden(1)
Nederland heeft ook gebieden met waar de bevolking afneemt: bevolkingskrimp.

Deze gebieden noem je krimpgebieden

Vraag 1: Waar trekken mensen weg? 

Vraag 2: Waar gaan ze heen? 

Vraag 3: Wie trekt weg? 

Vraag 4: Wie blijven over?

Slide 14 - Slide

 Krimpgebieden(2)
Oorzaak krimp:
Jongeren trekken weg omdat
  • geen werk, 
  • geen studiemogelijkheden,
  • of voldoende voorzieningen zijn.

Gevolgen:
  • Ouderen blijven over (vergrijzing).
  • Voorzieningen verdwijnen.





Voorzieningen?
  • sporten bij fysiotherapeut
  • pinnen in een supermarkt
  • buurthuis met activiteiten
  • mobiele snackkar of viskar
  • mobiele bieb

Slide 15 - Slide

Herinrichting 
in krimpgebieden
De krimpgebieden moeten zich aanpassen voor de achtergebleven, vaak oudere, inwoners.

Hoe?
  • woningen zonder trap
  • meer werkplekken voor verzorgingspersoneel
  • voorzieningen met een bezorgservice
  • voorzieningen vaak bij elkaar geplaatst in hetzelfde multifunctionele gebouw (MFC)

Als er woningen en voorzieningen verdwijnen, ontstaat er ook meer ruimte voor natuur en of huizen met een grote tuin
MFC: Ons huis - St annaparochie

Slide 16 - Slide

Voorzieningen(1)
Verzorgingsgebied = het gebied waar de klanten van een voorziening vandaan komen.

Drempelwaarde = het minimum aantal klanten dat een voorziening nodig heeft om te kunnen bestaan.

Reikwijdte = de maximale afstand die klanten willen afleggen. 

Reikwijdte neemt doe door autobezit!

Slide 17 - Slide

Voorzieningen(2)
Verzorgingsgebied = het gebied waar de klanten vandaan komen
Drempelwaarde = minimumaantal klanten die nodig zijn
Reikwijdte = de maximale afstand die klanten willen afleggen

Bakker
Verzorgingsgebied = klein - dorp/wijk
Drempelwaarde = laag - weinig klanten nodig
Reikwijdte = klein - op loop- of fietsafstand
Ziekenhuis
Verzorgingsgebied = gemiddeld - proviciaal 
Drempelwaarde = hoog - heeft veel klanten nodig
Reikwijdte = groot - veel mensen zijn bereid om te reizen
Bibilotheek
Verzorgingsgebied = gemiddeld - stad of dorp
Drempelwaarde = hoog - veel klanten nodig
Reikwijdte = klein - mensen komen op de fiets of lopend
Voetbalclub
Verzorgingsgebied = groot - landelijk
Drempelwaarde = hoog - veel klanten nodig 
Reikwijdte = groot - landelijk

Slide 18 - Slide

Naar de stad
In Nederland van 1870 tot 1960 (± 90 jaar)
veel urbanisatie / verstedelijking  = Stijging van
het percentage mensen dat in een stad woont. 

Oorzaak: 
Trek van platteland naar steden waardoor steden steeds groter worden door industrialisatie

Rotterdam:
  • Sterke groei na 1870
  • veel werk in de havens

Gevolgen:
  • Klein en dicht op elkaar gebouwde woningen
  • Veel herrie en stank 

Slide 19 - Slide

De stad uit
Na 1960 tot 1980: suburbanisatie = de verstedelijking van het landelijk gebied door migratie vanuit de stad. 

2 factoren: toename welvaart en mobiliteit
Mensen kregen genoeg geld om een duurder huis + auto te kopen om naar het werk in de stad te blijven reizen. 

Redenen: 
  • meer ruimte, 
  • stilte,
  • schone lucht, 
  • veilig voor kinderen.

Slide 20 - Slide

Terug naar de stad
Na 1980: Re-urbanisatie: Mensen gaan van platteland weer terug naar de stad.

Oorzaak: Steden worden weer populair, het werd weer leuk om in de stad te wonen.  
(jonge)mensen trekken weer naar de stad voor werk, studie, voorzieningen. 

Mogelijk gemaakt door: ruimtegebruik in de steden verbeterd. 
winkels, uitgaansgelegenheden, ruimere woningen

Rotterdam: bevolkingsgroei naar ruim 620.000 inwoners
De Kop van Zuid Rotterdam:
Wonen en werken vlak bij elkaar 

Slide 21 - Slide

Tijdlijn verstedelijking Nederland
Urbanisatie
1870 tot 1960
Suburbanisatie
1960 tot 1985
Re-urbanisatie
1985 tot nu
Oorzaak: werk in de steden
Gevolg: steden groeien
Oorzaak: onprettig in de steden
Gevolg: ontstaan van buitenwijken
Oorzaak: steden weer populair
Gevolg: drukte in de stad

Slide 22 - Slide

Gevolgen van suburbanisatie(1)
De suburbanisatie had grote gevolgen voor het platteland.

Gevolg 1: Het platteland rondom de steden verstedelijkte.
  • Steden en dorpen groeiden aan elkaar vast = Agglomeraties
  • Agglomeraties groeiden (bijna) aan elkaar vast = stedelijk gebied / stedelijke zone









Voorbeeld grootste stedelijke gebied van Nederland: De Randstad 

Slide 23 - Slide

Gevolgen van suburbanisatie(2)
Gevolg 2: de grote steden liepen leeg
  • Voorzieningen en werk trokken ook weg

Rotterdam: 
1964: 732.000 inwoners
1989: 554.000 inwoners

Gevolg 3: het aantal files nam toe
  • Vroeger: mensen woonden op loopafstand van hun werk in de fabrieken
  • Nu: door de suburbanisatie werken mensen verder van huis en pakken ze de auto


Slide 24 - Slide

Groei van de Randstad
Steden groeiden vanaf 1870 door de groei van de industrie.

De groei van deze steden ging volgens het concentrisch groeimodel: 
De groei van een stad vanuit het centrum met de historische stadskern.

Elke keer wanneer de stad groeit, komt er een schil/wijk bij.

Slide 25 - Slide

Concentrisch groeimodel
De groei vanuit het centrum van de stad.

Regel: Hoe verder van het centrum, hoe ruimer en hoe groener de wijk is opgezet.

Elke schil/wijk kun je herkennen!

Slide 26 - Slide

Meerkernen groeimodel
 Na 1960 kwam de suburbanisatie op gang, hierdoor groeiden de Amsterdam, Rotterdam, Den Haag en Utrecht naar elkaar toe.

Dit fenomeen noem je een meerkernen groeimodel: De groei van een stedelijk gebied vanuit meerdere steden.

Het Groene Hart:
  • Een groen gebied wat tussen de grote steden ligt 
  • Geen bebouwing, zo veel mogelijk groen behouden.
  • Er zijn strenge regels voor bebouwing in dit gebied. 

Slide 27 - Slide

Aanpakken van leefbaarheid
De Randstad heeft 8 miljoen inwoners en groeit nog steeds!
De inwoners willen graag een prettige woonomgeving waar de leefbaarheid goed is.

Leefbaarheid: De mate waarin een woonwijk geschikt is om in te leven.
Elke stad heeft wijken waar de leefbaarheid niet goed is.

Bij leefbaarheid gaat het om de volgende punten:
  • Veiligheid
  • Onderhoud
  • Voorzieningen

Slide 28 - Slide

Bereikbaarheid
In de Randstad reizen veel mensen heen en weer tussen de plaats waar ze wonen en waar ze werken.
Dit zijn forensen: Mensen die heen en weer reizen tussen woon- en werkplek.

Gevolg van forensisme:
Congestie = files

Gevolg van congestie:
Afname bereikbaarheid

Slide 29 - Slide

Aan het werk 
Wat?
 Vraag 31 t/m 35 uit het examen van 2022
Hoe?
Zelfstandig in stilte
Hulp
Brein, Boek, Buur, Bureau 
Tijd
Timer

Daarna bespreken we een paar examenvragen


Klaar?
Lees hoofdstuk 6 door

timer
10:00

Slide 30 - Slide

Welke vragen heb jij
over hoofdstuk 3?

Slide 31 - Mind map