Hfd. 4 §1 Kracht en soorten beweging

Programma en lesdoelen
  • startklaar? 
  • Huiswerkbespreking 10 vragen per lesuur, ongeveer 20 vragen per blokuur
  • eerste les: H4, §1 behandelen 9 dia's  >> 20 min.
  • zelfstandig werken aan  vraag 1 t/m 9 ( vraag 4, 7, 9) 20 min.
  • 2e les: Arbeid uitleggen  20 min.
  • zelfstandig werken:  vraag 19, 20 en 21  15 min.
  • toets terug gave: 10 min. 

1 / 36
next
Slide 1: Slide
naskMiddelbare schoolvwoLeerjaar 2

This lesson contains 36 slides, with interactive quizzes and text slides.

time-iconLesson duration is: 45 min
Report this lesson

Items in this lesson

Programma en lesdoelen
  • startklaar? 
  • Huiswerkbespreking 10 vragen per lesuur, ongeveer 20 vragen per blokuur
  • eerste les: H4, §1 behandelen 9 dia's  >> 20 min.
  • zelfstandig werken aan  vraag 1 t/m 9 ( vraag 4, 7, 9) 20 min.
  • 2e les: Arbeid uitleggen  20 min.
  • zelfstandig werken:  vraag 19, 20 en 21  15 min.
  • toets terug gave: 10 min. 

Slide 1 - Slide

lesdoelen 1e les
de hellingsgetal bepalen uit (s,t) diagram >> snelheid
oppervlakte methode; afstand bepalen uit een v,t)-diagram
Wat betekent Resultante/resulterende kracht/somkracht/Nettokracht ?
het verband tussen resulterende kracht en bewegingssoorten

Slide 2 - Slide

Slide 3 - Slide

Slide 4 - Slide

Km/h naar m/s
1375 km/h, hoeveel meter legt Felix dan af per seconde?

Daar is een hele simpele
regel voor:
1375 km/h : 3,6 = 381,94 m/s

Slide 5 - Slide

hoe bepaal je afgelegde afstand uit een (v,t)-diagram? 

Slide 6 - Slide

Oppervlaktemethode
Uit (v,t)-diagram kun je de afgelgde afstand bepalen;  Daarbij kun je 

v=tss=vt

Slide 7 - Slide

hoe bepaal je de snelheid uit een (s,t)-diagram?

Slide 8 - Slide

gemiddelde snelheid
de gemiddelde snelheid is de snelheid gedurende een bepaalde periode.


vgem=ts=ΔtΔs

Slide 9 - Slide

Gemiddelde snelheid bepalen


  • Met begin- en eindpunt van grafiek
  • Snelheid = afstand : tijd


Slide 10 - Slide

 snelheid bepalen
  • Vraag = wat is de gemiddelde snelheid voor de eerste 2 uur?
  • Tijd = 2 uur en afstand = 20 km
  • wat is de snelheid tussen punt B en punt C?
  • Tocht stopt na 6 uur, dan 50 km afgelegd; wat is de snelheid na 6 uur tocht?


Slide 11 - Slide

Slide 12 - Slide

Grafieken (s,t)

Slide 13 - Slide




Gebruik voor de momentane snelheid twee punten die:
- op de raaklijn liggen
- ver van elkaar af liggen
- goed af te lezen zijn
vgem=ΔtΔx
vmom=(ΔtΔx)raaklijn

Slide 14 - Slide





De snelheid op één specifiek moment wordt ook wel de ogenbliksnelheid of momentane snelheid genoemd.

Dit kan bepaald worden aan de hand van een raaklijn.

Slide 15 - Slide

 versnelling
snelheidstoename/afname per seconde:.
delta : verandering/toename afname 

a=ΔtΔv
Δ
Δv=veindvbegin

Slide 16 - Slide

Hoe groot is de versnelling? 

Slide 17 - Slide

Resulterende kracht
De Resulterende kracht is de optelsom van alle krachten. Resultante kracht wordt ook wel nettokracht of somkracht genoemd. 

Slide 18 - Slide

9. Xavier maakt een parachutesprong uit een vliegtuig. Van de eerste 20 s is een (v,t)-diagram gemaakt (figuur 4). Er zijn vier perioden te onderscheiden: I, II, III en IV. Schets de figuur op je kladblok. Beantwoord daarna de vraag op de volgende dia.

Slide 19 - Slide

Teken deze figuur. Bij welke fase is de netto kracht positief, negatief of nul? naar beneden vallen nemen we aan als een positieve richting.

Slide 20 - Slide

zelfstandig werken 
maak 1 t/m 9 
4, 7, 9 bespreken

Slide 21 - Slide

Nettokracht / Resulterende kracht/ Resultante / 
Totale kracht

Slide 22 - Slide

Resultante/nettokracht
=> Nettokracht werkt in de bewegingsrichting >> versnelde beweging 

=> Nettokracht is 0 N>> eenparige beweging 

=> Nettokracht werkt tegen de bewegingsrichting in
vertraagde beweging 

Slide 23 - Slide

 Nettokracht  
Nettokracht is alle krachten bij elkaar, en wat er dan over blijft.
Nettokracht beïnvloed de snelheid.
Nettokracht = 0N = stilstaand of eenparige beweging.
Nettokracht is groter dan 0N, beweging is versneld.
(Ookwel: nettokracht is met de beweging mee)
Nettokracht is kleiner dan 0N, beweging is vertraagd.
(Ookwel: nettokracht is tegen de richting in)
Nettokracht optellen als zelfde kant op is, en aftrekken als het andere kant op is.
Fnetto(N),Fres(N)

Slide 24 - Slide

Eenparig versneld/vertraagd
Om een voorwerp in beweging te krijgen, is er dus een kracht nodig. Er moet altijd een Nettokracht groter (versnelling) of kleiner (vertraging) dan 0 Newton zijn! Als je op de onderstaande link klikt, kun je experimenteren met krachten en bewegingen.

Slide 25 - Slide

Blz. 114 voorbeeld uit boek: Stefan maakt een parachutesprong uit een vliegtuig. Van de eerste 20 s is een (v,t)-diagram gemaakt (figuur 4). Er zijn vier perioden te onderscheiden: I, II, III en IV. Vergelijk de figuur met de figuur uit het boek. Beantwoord daarna de vraag op de volgende dia.
Welke krachten werken op Stefan?

Slide 26 - Slide

9. Gebruik de schets die je hebt overgenomen om onderstaande tabel in te vullen.
Neem de tabel over en vul in. Maak een foto en lever deze bij de volgende dia in.

Slide 27 - Slide

Aan de slag 
maak huiswerk sommen: 1 t/m 12  blz. 115 en 116

Slide 28 - Slide

11. Tijdens het fietsen werkt de zwaartekracht op jou en je fiets samen.

Welke kracht oefent de weg uit op je fiets?

A
De rolweerstand
B
De normaalkracht
C
De luchtweerstand
D
Geen van allen.

Slide 29 - Quiz

10. Je fietst met een snelheid die niet verandert in een rechte lijn over een weg.

Wat weet je van de resultante op jou en je fiets samen?
A
de resultante is groter dan 0, gaat met de bewegingsrichting mee
B
de resultante is gelijk aan 0
C
de resultante is kleiner dan 0, gaat tegen de bewegingsrichting in.
D
te weinig informatie, geen antwoord kunnen geven

Slide 30 - Quiz

Alleen voor Atheneum:

13. Van welke factoren hangt de luchtweerstandskracht af?

Slide 31 - Open question

12. Als je een noodstop moet maken, trek je zo hard aan je remmen dat je banden gaan slippen.

Welke andere krachten, naast zwaartekracht en normaalkracht, werken er dan op jou en je fiets samen?

A
Luchtweerstand en schuifweerstand.
B
Schuifweerstand en rolweerstand.
C
Rolweerstand en bandweerstand
D
Geen van de antwoorden is juist.

Slide 32 - Quiz

Reken om!

180 km/h = .. m/s
A
55,5 km/h
B
49,9 m/s
C
50 m/s
D
50 km/h

Slide 33 - Quiz

Reken om!

0,25 m/s = ... km/h
A
0,9 km/h
B
0,9 m/s
C
1,0 m/s
D
0,99 m/s

Slide 34 - Quiz

Welke gaat sneller?
A
12 km/h
B
12 m/s
C
Even snel
D
Dat kan je niet zeggen

Slide 35 - Quiz

Wat heb je vandaag geleerd?

Slide 36 - Open question