Lesson 3+4

1 / 23
next
Slide 1: Slide
EngelsMiddelbare schoolvmbo g, tLeerjaar 2

This lesson contains 23 slides, with interactive quizzes and text slides.

time-iconLesson duration is: 50 min

Items in this lesson

Slide 1 - Slide

Slide 2 - Slide

Slide 3 - Slide

Slide 4 - Slide

Slide 5 - Slide

Slide 6 - Slide

Slide 7 - Slide

Slide 8 - Slide

Do you have a first-aid kit?
A
Heeft u een EHBO doos?
B
Heeft u last van rugpijn?
C
Heeft u een dokter nodig?

Slide 9 - Quiz

Slikken doet pijn.
A
It hurts when i walk.
B
It hurts when I swallow

Slide 10 - Quiz

Ik heb koorts.
A
I have a fever.
B
we are having a fever.
C
I am running a fever.

Slide 11 - Quiz

I have a headache.
A
Ik heb hoofdpijn.
B
Ik heb buikpijn.

Slide 12 - Quiz

Wat is er aan de hand?
A
What happened?
B
What is bothering you?
C
What is the matter?

Slide 13 - Quiz

Slide 14 - Slide

Slide 15 - Slide

'Veel'
'veel' vertaal je met much/many


Much > voor niet-telbare woorden
Many > voor telbare woorden

Slide 16 - Slide

Telbaar en niet-telbaar
I don't have much money.
money is niet telbaar > much

Have you got any books on sale?
books is telbaar > many

Slide 17 - Slide

Weinig, een beetje, een paar
Weinig vertaal je met 'little'en 'few'.
little gebruik je bij niet-telbare woorden.
few gebruik je bij telbare woorden.

Een beetje/een paar:
a little > niet-telbare woorden
a few > telbare woorden

Slide 18 - Slide

Much/Many (-)(?)
Much
Betekent veel
gebruik je bij niet telbare woorden

I don't have much time.
We don't have much money.
Many
Betekent veel
gebruik je bij telbare woorden

I have many friends.
There are many museums.

Slide 19 - Slide

A little/A few, Little, Few
Little
Weinig
niet telbaar
A little
Een beetje
niet telbaar
Few
Weinig
telbaar
A few
Een paar
telbaar

Slide 20 - Slide

timer
10:00

Slide 21 - Slide

Slide 22 - Slide

Slide 23 - Slide