Woordenschat: je kent de namen van verschillende beroepen.
Spreken: je kunt vragen stellen die beginnen met een werkwoord.
Grammatica: je kunt werkwoorden in de tegenwoordige tijd goed vervoegen.
Presenteren: je kunt duidelijk en rustig spreken, je kunt powerpoint gebruiken tijdens je presentatie, je kunt een verhaal vertellen in logische volgorde.