This lesson contains 28 slides, with interactive quizzes and text slides.
Items in this lesson
Les 11
EHBO/MFA
Slide 1 - Slide
Terugblik
Steken en beten
Ziekten
Slide 2 - Slide
Oefentoets
De resterende tijd van de les gaan we een oefentoets maken.
Dit zijn veel meer dan 15 vragen, doe er je voordeel mee!
Good luck!
Slide 3 - Slide
Hoe handel je, voordat je met een slachtoffer met een ernstige verwonding naar de huisarts(enpost) gaat?
A
Je belt de leidinggevende.
B
Je blijft van de wond af.
C
Je reinigt en ontsmet de wond.
D
Je dekt de wond steriel af.
Slide 4 - Quiz
Welke stelling is juist: 1. Neem contact op met de huisarts(enpost) als er bij een slachtoffer met een gesloten wond een rode lijn onder de huid verschijnt. 2. Een slachtoffer met inhalatieletsel moet naar de huisarts(enpost).
A
Beide stellingen zijn juist.
B
Beide stellingen zijn onjuist.
C
Stelling 1 is juist.
D
Stelling 2 is juist.
Slide 5 - Quiz
Hoe kan infectie van een wond voorkomen worden?
A
Door een goede wondverzorging.
B
Door de wond te laten bloeden voordat deze wordt verbonden.
C
Door druk op de wond uit te oefenen.
D
Door een poepluier erop de leggen.
Slide 6 - Quiz
Hoe behandel je een slachtoffer met een bloedneus?
A
Laat het slachtoffer voorover in de schrijfhouding zitten en knijp de neus gedurende 10min stevig dicht.
B
Laat het slachtoffer gaan zitten met het hoofd iets achterover en knijp de neus gedurende 5min stevig dicht.
C
Laat het slachtoffer voorover in de schrijfhouding zitten en stop een tampon in het bloedende neusgat.
D
Laat het slachtoffer zijn/haar neus snuiten, achterover hangen en knijp daarna de neus dicht voor 15min.
Slide 7 - Quiz
Waaruit bestaat een snelverband?
A
Een zwachtel, een wondkussen en soms een kleefpleister.
B
Een kleefpleister en een wondkussen.
C
Een ideaalzwachtel en een wondkussen.
D
Een traumazwachtel.
Slide 8 - Quiz
Wat is juist? Als een zojuist aangebracht snelverband niet helemaal op de juiste plaats zit dan:
A
Laat je het zitten.
B
Verschuif je het snelverband totdat deze op de juiste plaats zit.
C
Verwijder je het aangebrachte snelverband en leg je een nieuw snelverband aan.
D
Verwijder je het aangebrachte snelverband en plak je een pleister.
Slide 9 - Quiz
Een wondpleister wordt gebruikt bij:
A
Actieve, ernstige, extreme bloedingen.
B
Kleine wonden.
C
Een bloedneus.
D
De stabiele zijligging.
Slide 10 - Quiz
Hoe koel je het beste een brandwond?
A
30min koud water.
B
Koelgel.
C
10-20min lauw water.
D
10-20min koud water.
Slide 11 - Quiz
Een slachtoffer heeft een brandwond op zijn arm. De huid is rood, zonder blaarvorming en het slachtoffer heeft pijn. Het slachtoffer heeft:
A
Een oppervlakkige verbranding (1e graads).
B
Een oppervlakkige gedeeltelijke verbranding (2e graads).
C
Een volledige verbranding (3e graads).
D
Het slachtoffer moet zich niet aanstellen.
Slide 12 - Quiz
Waarvoor wordt de regel van negen gebruikt?
A
Om de grootte van een brandwond te bepalen.
B
Om na te gaan hoe de brandwond is ontstaan.
C
Om te bepalen hoe diep de verbranding is.
Slide 13 - Quiz
Hoe ziet de huid eruit na een volledige verbranding?
A
Wit/geel of rood/bruin/zwart, de brandplek zelf is niet pijnlijk.
B
Rood, droog en pijnlijk.
C
Rood, pijnlijk en vertoont blaren.
D
De huid is zwart.
Slide 14 - Quiz
Wat is typerend voor een botbreuk?
A
Er is sprake van ernstig uitwendig bloedverlies.
B
Er is sprake van pijn, zwelling en functieverlies.
C
Plaatselijke roodheid.
D
Uitstekende botten.
Slide 15 - Quiz
Iemand heeft een verstuikte pols. Hoe kun je hem helpen?
A
Door de pols te koelen.
B
Door druk op de pols uit te oefenen.
C
Door een wondsnelverband aan te leggen.
D
Door heb wat thee te geven en gezellie te kletsen.
Slide 16 - Quiz
Hoe kan een kneuzing ontstaan?
A
Door het oprekken van de pezen.
B
Door een slag of stoot.
C
Door overbelasting van het gewricht.
Slide 17 - Quiz
Hoe lang mag je bij een kneuzing koelen?
A
10-20min en herhalen mag.
B
20-30min en herhalen mag.
C
Onbeperkt.
D
5-10min.
Slide 18 - Quiz
Iemand is van de trap gevallen. Hij klaagt over pijn in de nek en kan zijn hoofd niet bewegen. Waar houd je rekening mee?
A
Dat hij een beroerte heeft gehad.
B
Dat er sprake is van wervelletsel.
C
Dat hij een open botbreuk heeft.
D
Dat hij een hartaanval heeft.
Slide 19 - Quiz
Wat is het kenmerk van een gesloten botbreuk?
A
Ernstig uitwendig bloedverlies.
B
Pijn en zwelling.
C
Plaatselijke roodheid.
D
Een rode lijn onder de huid.
Slide 20 - Quiz
Wat is een belangrijk aandachtspunt bij het aanleggen van een steunverband om de pols?
A
Er moet druk uitgeoefend worden op de pols voordat het verband wordt aangelegd.
B
Hand en pols moeten zoveel mogelijk in een hoek van 90 graden staan.
C
De zwachtel moet onder lichte druk worden aangelegd.
Slide 21 - Quiz
Wat is kenmerkend voor een kneuzing?
A
Er is een uitwendige bloeding zichtbaar.
B
Er treedt een zwelling op en een blauwe verkleuring.
C
Het getroffen lichaamsdeel staat in een abnormale stand.
D
De huid is hierbij opengescheurd.
Slide 22 - Quiz
Hoe help je een slachtoffer waarbij je een gebroken been vermoedt?
A
Koel het getroffen been en leg een drukverband aan.
B
Bel 112 en ondersteun het getroffen been in de gevonden positie.
C
Breng het slachtoffer naar de huisarts(enpost).
Slide 23 - Quiz
Wat moet je doen als een slachtoffer een bal tegen zijn oog heeft gekregen?
A
Het slachtoffer in een halfzittende houding zetten en wachten tot de pijn afneemt.
B
Het oog spoelen met water.
C
Contact opnemen met de huisarts(enpost).
D
112 bellen.
Slide 24 - Quiz
Iemand heeft een metaalsplinter in het oog. Wat moet je doen?
A
Het oog afdekken en de huisarts(enpost) bellen.
B
Proberen de splinter eruit te trekken.
C
De oogleden van elkaar trekken en met een gaasje de metaalsplinter aanprikken.
D
Niets.
Slide 25 - Quiz
Iemand heeft een gevaarlijke stof in zijn oog gekregen. Hoe lang moet je het oog tenminste spoelen?