Question words

Lesdoel
At the end of this lesson

  • Weet ik hoe je vraagwoorden moet maken in het Engels.


 

1 / 17
next
Slide 1: Slide
EngelsMiddelbare schoolvmbo k, havoLeerjaar 1

This lesson contains 17 slides, with interactive quizzes and text slides.

time-iconLesson duration is: 30 min

Items in this lesson

Lesdoel
At the end of this lesson

  • Weet ik hoe je vraagwoorden moet maken in het Engels.


 

Slide 1 - Slide

Welke vraagwoorden ken je in het Engels? (er zijn er 7)
Question words

Slide 2 - Mind map

Slide 3 - Slide

What are the 7 question words?

Slide 4 - Open question

schrijfwijze
Onthoud: de question words beginnen allemaal met wh (behalve how). Op een toets moeten dus alle woorden ook met wh beginnen:
WHat / WHere / WHen / WHy / WHo / WHich

Slide 5 - Slide

The difference
What? Vraag naar een ding, mens, dier
Where? Vraag naar een plaats
When? Vraag naar een tijd/datum
Why? Vraag naar een reden
Which? Een keuze
Who? Vraag naar wie
How? Vraag naar hoe

Slide 6 - Slide

Welk vraagwoord gebruik je als je vraagt naar een plaats?
A
when
B
what
C
who
D
where

Slide 7 - Quiz

Welk vraagwoord gebruik je als je vraagt naar een persoon?
A
how
B
who
C
why
D
when

Slide 8 - Quiz

Welk vraagwoord gebruik je als je te maken hebt met een keuze?
A
what
B
which
C
when
D
how

Slide 9 - Quiz

_____ do you leave for school?

Slide 10 - Open question

Welk vraagwoord moet hier komen:
_____ is this person?

Slide 11 - Open question

_____ do you prefer, red or white?

Slide 12 - Open question

____ did you do that?

Slide 13 - Open question

_____ do you live?

Slide 14 - Open question

Opdrachten maken
  • Wat: Maak opdrachten 11, 12 en 13 en kijk deze na
  • Hoe: Alleen en in je werkboek 
  • Hulp: docent en werkboek
  • Klaar? ga verder met de opdrachten in je boek
timer
15:00

Slide 15 - Slide

Do you feel confident using the question words?
A
yes
B
no

Slide 16 - Quiz

Lesdoel
At the end of this lesson

  • Weet ik hoe je vraagwoorden moet maken in het Engels



 

Slide 17 - Slide