Hulpwerkwoorden en Zelfstandige werkwoorden (hww en zww)

zww en hww
1 / 25
next
Slide 1: Slide
NederlandsMiddelbare schoolvmbo tLeerjaar 2

This lesson contains 25 slides, with interactive quizzes and text slides.

time-iconLesson duration is: 30 min

Items in this lesson

zww en hww

Slide 1 - Slide

Grammatica woordsoorten
zww en hww

Slide 2 - Slide

nieuwe stof: ZWW of HWW
Een werkwoord kan in een zin voorkomen op verschillende manieren: als zelfstandig werkwoord  of als hulpwerkwoord.

                                            ZWW en HWW

Slide 3 - Slide

Zij
willen
afrekenen
hww
zww

Slide 4 - Drag question

Oma
heeft
lekkere
gebakken
HWW
BNW
ZNW
ZWW

Slide 5 - Drag question

Gelukkig kunnen ze mijn laptop repareren.
HWW
ZWW
kunnen
repareren

Slide 6 - Drag question

Zet een 'zww' bij alle zelfstandig werkwoorden en een 'hww' bij alle hulpwerkwoorden.
De top 2000 werd uitgezonden op radio 2
Tijdens de vakantie zijn we om het hele eiland heen gezwommen
ZWW
ZWW
HWW
HWW

Slide 7 - Drag question

Zet een 'zww' bij alle zelfstandig werkwoorden en een 'hww' bij alle hulpwerkwoorden.
De storm zou veel leerlingen van hun fiets waaien
Uiteindelijk fietsen we gewoon naar huis. 
ZWW
ZWW
HWW
HWW

Slide 8 - Drag question

Wat zijn het hww en zww in de volgende zin:
'Mag jij vuurwerk afsteken?'
A
hww: mag zww:afsteken
B
zww:mag hww:afsteken
C
zww:mag zww:afsteken

Slide 9 - Quiz

is ZOU een hww of zww?
Mijn vader zou de kast gaan maken.
A
hww
B
zww

Slide 10 - Quiz

is OPGELET een hww of zww?
De kinderen hebben goed opgelet.
A
hww
B
zww

Slide 11 - Quiz

hww of zww
Het pakje wordt morgen bezorgd.
A
wordt = hww bezorgd = hww
B
wordt = hww bezorgd = zww
C
wordt = zww bezorgd = hww

Slide 12 - Quiz

AT = hww of zww
Mijn ijsje at ik snel op.
A
hww
B
zww

Slide 13 - Quiz

Is het ww een hww of zww?

Ik ga op vakantie.
A
hww
B
zww

Slide 14 - Quiz

Geef aan hww of zww.

Ik ga iedere dag wandelen.

A
ga hww, wandelen zww
B
ga zww, wandelen hww

Slide 15 - Quiz

Geef aan hww of zww.

In de vakantie heb ik heerlijk uitgeslapen.

A
heb zww, uitgeslapen hww
B
heb hww, uitgeslapen zww

Slide 16 - Quiz

Geef aan hww of zww.

Ik ben gisteren gaan voetballen.

A
ben, zww, gaan hww, voetballen hww
B
ben hww, gaan zww, voetballen hww
C
ben hww, gaan hww, voetballen zww

Slide 17 - Quiz

Is "moet" in deze zin een hww of zww?

Ik moet elke dag naar school fietsen.
A
hulpwerkwoord
B
zelfstandig werkwoord

Slide 18 - Quiz

Is "komen" in deze zin een hww of zww?
Mijn zus wil morgen komen eten.
A
hulpwerkwoord
B
zelfstandig werkwoord

Slide 19 - Quiz

Koningin Máxima wordt vaak gefotografeerd.
Hww en Zww?
A
wordt=zww; gefotografeerd= zww
B
wordt=hww; gefotografeerd= zww
C
wordt=hww; gefotografeerd= hww

Slide 20 - Quiz

Hij had helemaal gelijk en hij heeft dat ook verteld.
Hww en Zww?
A
had=hww; heeft= hww; verteld=zww
B
had= zww; heeft= hww; verteld=zww
C
had= zww; heeft= zww; verteld=zww
D
had= hww; heeft= hww; verteld=hww

Slide 21 - Quiz

hww of zww:
Ik geef hem een cadeautje.

A
geef = hww
B
geef = zww

Slide 22 - Quiz

Ik kan / weet het hww en zww benoemen
A
Gaat goed tot nu toe!
B
Paar foutjes, maar ik snap wat ik fout heb gedaan
C
Ik begin het door te krijgen
D
Snap er geen snars van

Slide 23 - Quiz

Ik zou wel op vakantie naar IJsland willen.
zww
hww
kww
zou

Slide 24 - Drag question

De vriendschap tussen Johnny en Lisa zou weleens
snel voorbij kunnen zijn.
zww
hww
kww
hww
kunnen

Slide 25 - Drag question