De broers zijn geboren in Nigeria. Ze wonen nu twee jaar in Nederland.
Ik woon met mijn broer. Ik vind
hem heel aardig.
Musa heeft een zoon. Hij zorgt goed voor hem.
Mijn buurvrouw komt op bezoek. Ik heb veel contact met haar.
Mijn moeder woont in Nigeria. Ik bel haar elke dag.