Woordsoorten (lw-zn-bn-ww-vz)

Grammatica- Woordsoorten 
Lidwoord - zelfstandig naamwoord - bijvoeglijk naamwoord - werkwoord en voorzetsel
1 / 23
next
Slide 1: Slide
NederlandsMiddelbare schoolvmbo k, g, tLeerjaar 1-3

This lesson contains 23 slides, with interactive quizzes and text slides.

Items in this lesson

Grammatica- Woordsoorten 
Lidwoord - zelfstandig naamwoord - bijvoeglijk naamwoord - werkwoord en voorzetsel

Slide 1 - Slide

Woordsoorten

Slide 2 - Slide

Het woord 'een' noemen we een....?
A
Lidwoord
B
Zelfstandig naamwoord
C
Bijvoeglijk naamwoord
D
Werkwoord

Slide 3 - Quiz

Wat voor woordsoort is zwemmen?
A
Werkwoord
B
Zelfstandig naamwoord
C
Lidwoord
D
Bijvoeglijk naamwoord

Slide 4 - Quiz


Kies de juiste woordsoort.
Je mag nooit cola drinken bij de computer.
A
Zelfstandig naamwoord (zn)
B
Voorzetsel (vz)
C
Bijvoeglijk naamwoord (bn)
D
Lidwoord (lw)

Slide 5 - Quiz

Wat voor woordsoort is fiets?
A
Lidwoord
B
Bijvoeglijk naamwoord
C
Werkwoord
D
Zelfstandig naamwoord

Slide 6 - Quiz

Waar zegt het bijvoeglijk naamwoord iets over?
A
Zelfstandig naamwoord
B
Lidwoord
C
Werkwoord
D
Bijvoeglijk naamwoord

Slide 7 - Quiz


Kies de juiste woordsoort.
Ik fiets nog snel even naar de winkel.
A
Zelfstandig naamwoord
B
Lidwoord
C
Voorzetsel
D
Bijwoord

Slide 8 - Quiz


Kies de juiste woordsoort.
Gelukkig mag ik straks weer naar huis.  
A
Werkwoord
B
Zelfstandig naamwoord
C
Bijvoeglijk naamwoord
D
Voorzetsel

Slide 9 - Quiz



Kies de juiste woordsoort.
Archeologen hebben
 een bijzondere vondst gedaan 
 in het Italiaanse Pompeï.
A
werkwoord
B
Voorzetsel
C
Zelfstandig naamwoord
D
Bijvoeglijk naamwoord

Slide 10 - Quiz


Kies de juiste woordsoort.
Archeologen hebben
 een bijzondere vondst gedaan 
 in het Italiaanse Pompeï
A
voorzetsel
B
werkwoord
C
Zelfstandig naamwoord
D
Bijvoeglijk naamwoord

Slide 11 - Quiz


Kies de juiste woordsoort.
Archeologen hebben
 een bijzondere vondst gedaan 
 in het Italiaanse Pompeï.
A
Werkwoord
B
Voorzetsel
C
Zelfstandig naamwoord
D
Bijvoeglijk naamwoord

Slide 12 - Quiz

Hoeveel voorzetsels heeft deze zin?
Op de verjaardag waarschuwde ik haar voor de hond.
A
1
B
2
C
0
D
3

Slide 13 - Quiz


betonnen, groene, snelle en koperen zijn voorbeelden van ...
A
vz
B
lw
C
zn
D
bn

Slide 14 - Quiz


Breda, juli, Willemijn en speedboot zijn voorbeelden van ...
A
vz
B
lw
C
zn
D
bn

Slide 15 - Quiz

Hoeveel bijvoeglijk naamwoorden staan er in deze zin?

Het groene houten bankje in onze bloemrijke voortuin hebben we in kleine stukken gezaagd, omdat het oud en krakkemikkig was.
A
3
B
4
C
5
D
6

Slide 16 - Quiz

Grammatica- Woordsoorten 
Lidwoord - zelfstandig naamwoord - bijvoeglijk naamwoord - werkwoord en voorzetsel

Slide 17 - Slide


Hoeveel zelfstandig naamwoorden zitten er in totaal in de zin?
Archeologen hebben een bijzondere vondst gedaan 
 in het Italiaanse Pompeï.
A
1
B
2
C
3
D
4

Slide 18 - Quiz

Samen zinnen maken
Noem om de beurt een woord om een zin mee te maken volgens de volgende structuren. 
1) lidwoord - bijvoeglijk naamwoord - zelfstandig naamwoord - werkwoord (in juiste vorm) - voorzetsel - lidwoord - bijvoeglijk naamwoord - zelfstandig naamwoord
2) lidwoord - zelfstandig naamwoord - werkwoord - bijvoeglijk naamwoord - 
Begin om en om.
Schrijf zo samen vier zinnen in één van jullie schriften.
Zorg voor correcte Nederlandse zinnen

Slide 19 - Slide

Cursus 5 Grammatica
    Werkwoorden

Slide 20 - Slide

Werkwoorden
 .
  In deze zin staan twee  werkwoorden
   (ww):  hebben en gekregen
 
 Het werkwoord is een  woordsoort
 In een zin staan altijd één of meer werkwoorden.
 Een werkwoord zegt wat iets of iemand doet of wat iets of iemand overkomt. 
Sommige  werkwoorden hebben een onduidelijke betekenis:   hebben ,  kunnen, moeten, mogen, worden, zijn of zullen.
 
 Zo herken je een werkwoord
  Een werkwoord kun je vervoegen. Je maakt er dan verschillende werkwoordsvormen van.
  Bijvoorbeeld: 
-  hele werkwoord = krijgen: krijg, krijgt, krijgen, kreeg, kregen, gekregen
  - hele werkwoord = opbellen: bel op, belt op, bellen op, belde op, belden op, opgebeld 

Slide 21 - Slide

Werkwoorden
 .
Werk in viertallen. Noem om de beurt een werkwoord. Ga het alfabet af: eerst een  werkwoord dat met een ‘a’ begint, dan een met een ‘b’ enzovoort. Weet je er geen  met de letter? 
Dan ben je ‘af’ en probeert de volgende het. 

Wie wint? 

Slide 22 - Slide

Opdrachten maken
- Maak opdracht 2 t/m 7 van Cursus 5 paragraaf 1 over werkwoorden

Klaar? 

Oefen op cambiumned.nl met de zinsdelen

Slide 23 - Slide