In 1839 kon je meestal kilometers ver kijken zonder dat je veel bebouwing zag. Een boerderij, een weggetje, een kerktorentje aan de horizon, dat was het meestal wel. Het zou nog een eeuw duren voordat de eerste snelwegen en hoogspanningsmasten aangelegd werden. Maar door de komst van de trein begint het landschap wel flink te veranderen.
De weilanden en akkers zijn vaak veel te drassig om er zomaar spoorrails in te kunnen leggen. Daarom worden door het hele land spoordijken aangelegd, die als lange littekens door het land lopen. Over rivieren en kanalen komen ijzeren spoorbruggen, waar eerst vaak alleen een veerpont was. Het eeuwenoude landschap begint flink te veranderen.
En nu, in de eenentwintigste eeuw, ligt Nederland vol brede snelwegen die in het spitsuur vaak toch nog verstopt raken. Er zijn bijna geen plekken meer waar je geen wegen, gebouwen of hoogspanningsmasten ziet. En zelfs in het bos hoor je meestal nog wel ergens in de verte auto's en treinen langsrazen.
Tegenwoordig vinden mensen het wel weer steeds belangrijker dat er in Nederland ook plekken zijn waar geen lawaai en kunstlicht is, waar de natuur weer zijn gang kan gaan. En waar het net lijkt alsof de tijd heeft stilgestaan.