betrekkelijke voornaamwoorden

betrekkelijke voornaamwoorden

1 / 20
next
Slide 1: Slide
EngelsMiddelbare schoolvmbo g, t, mavoLeerjaar 3

This lesson contains 20 slides, with interactive quizzes and text slides.

time-iconLesson duration is: 50 min

Items in this lesson

betrekkelijke voornaamwoorden

Slide 1 - Slide

This item has no instructions

Relative Pronouns
Gebruik: Om terug te verwijzen naar iets dat eerder genoemd is in de zin/de tekst.
Who - Which - That - Whose - # - where

Slide 2 - Slide

This item has no instructions

Relative pronouns verwijzen naar...
who                          persoon
which                        dier, ding
that*                         ipv who/which; zonder komma
whose                       persoon, ding, dier; bezit
where                        plaats
#                               weglaten, soms mag dat




Slide 3 - Slide

This item has no instructions

Slide 4 - Slide

This item has no instructions

Aantekeningen

Slide 5 - Slide

This item has no instructions

Slide 6 - Slide

This item has no instructions

Slide 7 - Slide

This item has no instructions

Na een komma gebruik je nooit that

Slide 8 - Slide

the book that i borrowed from the library is interesting

komma, voor extra informatie eN HOOFDZIN is zonder bijzin nog logisch
zonder komma: essebtiele info, zonder is de hoofdzin niet logisch.
Can you see ...

Slide 9 - Slide

This item has no instructions

Slide 10 - Slide

This item has no instructions

Het is een lijdendvoorwerp
Het is een onderwerp.

Slide 11 - Slide

lijdendvoorwerp is het deel van de zin dat de handleing van het werkwoord ontvangt
Ik mag who/which/that weglaten in de zin als...
timer
0:10
A
de bijzin WEL nodig is om de zin te begrijpen
B
de bijzin NIET nodig is om de zin te begrijpen

Slide 12 - Quiz

This item has no instructions

who, which, that?
Here are some songs ... my mother taught me.
A
who
B
which
C
that

Slide 13 - Quiz

This item has no instructions

who/which/that?
She sent me a reply, ... simply said: "OK".
A
who
B
which
C
that

Slide 14 - Quiz

This item has no instructions

who/which/that/O?
She was somebody ... always looked happy.
A
who
B
which
C
that
D
O

Slide 15 - Quiz

This item has no instructions

Choose the right pronoun (who/which/that/whose):
''Thank you very much for your e-mail, _____ was very interesting.''
A
who
B
which
C
that
D
whose

Slide 16 - Quiz

This item has no instructions

... if you want to practise whose - who's

Slide 17 - Slide

This item has no instructions

Wanneer gebruik je dit soort zinnen nog meer?
Bij raadsels bijvoorbeeld: 

Slide 18 - Slide

This item has no instructions

would you like another one?

Slide 19 - Slide

This item has no instructions

just for fun ...

Slide 20 - Slide

This item has no instructions