Na verloop van tijd is de infectie bestreden en moet de afweer-reactie ook weer worden stopgezet (deze kost veel energie).
Hiervoor zorgen T-suppressorcellen.
Deze remt de B-cellen en daarmee de
vorming van antistoffen.
Slide 10 - Slide
Geheugencellen
Slide 11 - Slide
Geheugencellen
Wanneer de specifieke afweer wordt geactiveerd tijdens een infectie worden geheugenvellen gevormd (Th, Tc en B geheugencellen).
Bij een volgende infectie met dezelfde ziekteverwekker (hetzelfde antigeen) komt de specifieke afweer sneller en sterker op gang.
Slide 12 - Slide
Antistoffen
De afweer reactie is de meten aan de hand van de hoeveelheid antistoffen in het bloed.
Antistoffen die afkomstig van één (gekloneerde) B cel, en dus tegen één antigeen werken heten monoklonale antistoffen.
Slide 13 - Slide
Immuniteit
Cellulaire immuniteit:
Th geheugencellen en Tc geheugencellen.
Humorale immuniteit:
B geheugencellen.
Bij een hernieuwde infectie met dezelfde ziekteverwekker worden Tc cellen sneller actief en worden sneller veel meer antistoffen gemaakt.
Slide 14 - Slide
Immuniteit
Bij een tweede (of volgende) infectie komt de afweer dan zo snel op gang dat je minder/ niet ziek wordt.
Slide 15 - Slide
Immuniteit
Deze vorm van immuniteit heet natuurlijke, actieve immuniteit.
Natuurlijk: de immuniteit is ontstaan doordat je de infectie een keer hebt doorgemaakt.
Actief: het immuun systeem heeft zelf antistoffen gemaakt.
Slide 16 - Slide
Moeder op kind
Vóór de geboorte geeft de moeder via de placenta antistoffen aan haar ongeboren kind. Het kind wordt dus geboren met antistoffen en is dus (tijdelijk!) immuun. Deze vorm van immuniteit heet natuurlijke, passieve immuniteit.
Natuurlijk: de antistoffen zijn op een natuurlijke manier in het lichaam gekomen.
Passief: het kind heeft de antistoffen niet zelf gemaakt.
Slide 17 - Slide
Vaccinatie
In een vaccin zijn antigenen van een ziekteverwekker opgenomen (dus niet de hele ziekteverwekker!), of zelfs het mRNA van een antigeen van een ziekteverwekker.
Dit antigeen zorgt voor de eerste immuunrespons van het specifieke afweersysteem waardoor antistoffen en geheugencellen worden gevormd.
Wordt je daarna geïnfecteerd dan is dit de tweede blootstelling en de reactie van je afweer is dus sneller en sterker.
Slide 18 - Slide
Vaccinatie
Een persoon is daarna immuun en kan de infectie niet of mild krijgen.
Deze vorm heet actieve, kunstmatige immuniteit.
Kunstmatig: je de antigenen kunstmatig verkregen.
Actief: je lichaam heeft zelf de antistoffen gemaakt.
Slide 19 - Slide
Antiserum
Door een (verzwakte/ dode) ziekteverwekker in te spuiten bij een dier en daarna het bloedplasma te isoleren (antiserum) kun je antistoffen isoleren tegen een bepaalde ziekteverwekker en deze inspuiten bij een patiënt.
Dit heet kunstmatige, passieve immuniteit.
Kunstmatig: je hebt de immuniteit kunstmatig verkregen.
Passief: je lichaam heeft niet zelf de antistoffen gemaakt.
Slide 20 - Slide
Waar hoort wat?
Slide 21 - Slide
Waar hoort wat?
Antistoffen vanuit moedermelk/ placenta
Immuun door daadwerkelijke infectie
Antiserum: Antistoffen ingespoten
Immuun door vaccin met antigenen/ mRNA
Slide 22 - Slide
Wat hoort bij de cellulaire immuniteit?
A
Ziekteverwekkers bestrijden d.m.v. antistoffen
B
B-geheugencellen
C
IC verdwijnen d.m.v. Tc-cellen
D
Th-cellen activeren B-lymfocyten
Slide 23 - Quiz
Na een beet van een hond krijgt het slachtoffer antistoffen toegediend, dit is een vorm van..
A
Kunstmatige actieve immunisatie
B
Kunstmatige passieve immunisatie
C
Natuurlijke actieve immunisatie
D
Natuurlijke passieve immunisatie
Slide 24 - Quiz
Slide 25 - Video
Allergie
Mest-cellen:
In de huid en de slijmvliezen
Hebben receptoren voor IgE
antistoffen (gemaakt door B cellen)
Hebben blaasjes met histamine die
vrijkomt bij contact met een
ziekteverwekker (via de IgE antistoffen)
Slide 26 - Slide
Allergie
Histamine is een mediator die een
ontstekingsreactie veroorzaakt:
meer slijm, verwijding bloedvaten.
Hierdoor kunnen macrofagen de
infectie beter bestrijden.
Slide 27 - Slide
Allergie
Een allergische reactie is als de mest-cellen onnodig reageren op een niet-schadelijke lichaamsvreemde stof.
Die stof heet dan allergeen.
Oorzaak: een APC heeft een onschuldige antigeen onterecht beoordeeld als ziekteverwekker en heeft de specifieke afweer aangezet.
Slide 28 - Slide
Allergie
Allergie ontstaat in twee stappen:
1. Eerste contact met allergeen: APC -> Th -> B-lymfocyten en plasmacellen maken IgE molecuul –> deze hecht zich aan mestcellen
2. Volgend contact: IgE aan mest-cellen bindt met allergeen -> mestcel geeft histamine af -> allergische reactie
Slide 29 - Slide
Slide 30 - Slide
Slide 31 - Slide
Antihistamine
Bindt aan de histamine receptoren
(antagonist) waardoor de cellen
niet meer reageren op het vrij-
komen van histamine.
Slide 32 - Slide
Medicijnen
Tegen bacteriën: penicilline of een ander antibioticum.
Antibiotica doden bacteriën.
Bacteriën kunnen resistent worden tegen antibiotica
(via mutaties in het DNA en selectie = Evolutie)
Slide 33 - Slide
Slide 34 - Video
Bacteriofagen
Virussen die specifieke bacteriën als gastheer gebruiken om te vermeerderen, waarna de bacterie dood gaat.
Mogelijke vervanger van antibiotica in de toekomst, nu nog te weinig onderzoek.
Slide 35 - Slide
Doel 21.4
Je hebt geleerd hoe immuniteit tegen ziektes ontstaat