Geschiedenis examentraining - A. Staatsinrichting van Nederland (vanaf 1813)

Geschiedenis examentraining 
A. Staatsinrichting van Nederland (vanaf 1813)
1 / 32
next
Slide 1: Slide

This lesson contains 32 slides, with text slides.

Items in this lesson

Geschiedenis examentraining 
A. Staatsinrichting van Nederland (vanaf 1813)

Slide 1 - Slide

Staatsinrichting
Staatsinrichting = manier waarop het land wordt bestuurd
  • Nederland is sinds 1813 een monarchie
  • 1840: koning Willem II aan het roer (besliste, alles zelf, bevolking had weinig in te brengen)

Slide 2 - Slide

Republiek en monarchie
1813: Nederland ging van een republiek naar monarchie
  • Republiek: macht verdeeld over meerdere personen
  • Monarchie: macht ligt bij één persoon (koning(in))

Slide 3 - Slide

Nieuwe grondwet
  • 1848 veel onrust onder bevolking (wilden inspraak)
  • Koning Willem II bang voor revoluties
  • Gaf opdracht tot een liberale grondwet
Thorbecke
  • Stelde de grondwet op (1848)
  • Parlement meer zeggenschap
  • Ministers moeten verantwoording afleggen

Slide 4 - Slide

Constitutie
Constitutie = manier waarop staat is ingericht
  • Nederland bleef een monarchie, mét grondwet = constitutionele monarchie
  • Koning is onschendbaar (ministers zijn verantwoordelijk, ministeriële verantwoordelijkheid)
  • Koning heeft tegenwoordig weinig politieke macht, alleen invloed

Slide 5 - Slide

Willem II en III
Willem II
  • 1840-1849
  • Grondwetsherziening 1848
  • Conservatief
Willem III
  • 1849-1890
  • Conflicten met parlement

Slide 6 - Slide

Parlement en regering
19e eeuw:
  • Parlement bestond uit gekozen individuen die samenwerkten als ze het eens waren over zaken
  • Later in de 19e eeuw ontstonden politieke partijen omdat er toen meerdere kwesties (problemen) opgelost moesten worden

Slide 7 - Slide

Parlement en regering
Parlement = Eerste en Tweede Kamer
Regering = Ministers en Koning (staatshoofd)
Coalitie = samenwerking regerende partijen
Oppositie = politieke partijen die niet in de regering zitten
Kabinet = Ministers en staatssecretarissen (voeren taken van ministers uit)

Ministers komen uit de regerende partijen, maken regeerakkoord

Slide 8 - Slide

Parlement en regering
Parlementaire democratie = waarbij de bevolking wordt vertegenwoordigd door het parlement dat door het volk is gekozen.

Dus: volk kiest -> parlement beslist -> regering voert uit

Slide 9 - Slide

Parlement en regering

Slide 10 - Slide

Taken Eerste en Tweede Kamer
Eerste taak = controleren van regering en zorgen voor goede wetgeving

Voor het controleren hebben ze rechten
  • Recht van budget (geld)
  • Recht van interpellatie (discussie)
  • Recht van enquête (onderzoek)

Slide 11 - Slide

Taken Eerste en Tweede Kamer

Slide 12 - Slide

Taken Eerste en Tweede Kamer
Tweede taak = maken en goedkeuren van wetten

Slide 13 - Slide

Rechten van Tweede Kamer
Twee rechten die de Eerste Kamer niet heeft:
  • Recht van amendement (wetten wijzigen)
  • Recht van initiatief (wetten voorstellen)

Slide 14 - Slide

Slide 15 - Slide

Scheiding der machten
Grondwet Thorbecke zorgde voor scheiding der machten
  1. Wetgevende macht (parlement + regering) = bedenken wetten
  2. Uitvoerende macht (regering) = uitvoeren wetten
  3. Rechterlijke macht (rechters) = controleren of wetten worden nageleefd

Slide 16 - Slide

Scheiding der machten
Voorkomen dat de macht bij één persoon of groep ligt, balans

Slide 17 - Slide

Slide 18 - Slide

Politieke stromingen

Slide 19 - Slide

Politieke stromingen

Slide 20 - Slide

Eerste feministische golf
  • 187- 1920
  • Emancipatie voor vrouwen
  • Kiesrecht
  • Toegang tot onderwijs
  • Aletta Jacobs: 1e vrouwelijke arts
  • Wilhelmina Drucker: oprichter Vrije Vrouwen Vereniging (VVv) in 1889, wilde vooral kiesrecht 

Slide 21 - Slide

Staatshoofden NL

Slide 22 - Slide

Klassieke en sociale grondrechten
Klassieke grondrechten = beschermen tegen overheid
  • Vrijheid van ...
  • Voorbeeld: godsdienst, meningsuiting, drukpers, onderwijs
Sociale grondrechten (sinds 1983) = beschermen door overheid (voor menswaardig bestaan)
  • Recht op ..
  • Voorbeeld: bestaanszekerheid, onderwijs, werk, woning

Slide 23 - Slide

Referendum
Referendum = overheid legt een vraag voor aan de burgers, waar burgers hun mening over mogen geven
  • Grotere invloed van het volk op de politiek
  • Kloof tussen bevolking en politiek kleiner
  • Kost wel veel tijd en geld

Slide 24 - Slide

Industrialisatie
Industrialisatie = rond 1900 werden veel fabrieken gebouwd
Opkomst versterkt door:
  • Betere infrastructuur (treinnetwerk, kanalen, snelwegen)
  • Uitvindingen (elektriciteit, machines)
  • Migratie (groeiende vraag arbeiders in fabrieken, verstedelijking)
Platteland -> industrie

Slide 25 - Slide

Industrialisatie
Welvaart steeg, maar omstandigheden waren slecht
  • Lage lonen, lange dagen
  • Ongeschoolde arbeiders, makkelijk te vervangen
  • Vrouwen en kinderen gedwongen te werken
  • Geen wetgeving voor beschermen arbeiders
  • Slechte leefomstandigheden

Slide 26 - Slide

Industrialisatie
Overheid: steeds meer bewust dat zij iets moesten doen aan de slechte omstandigheden
  • Sociale wetgeving: arbeiders beschermen
  • Einde maken aan kinderarbeid
  • Vakbonden: bevolking kwam in opstand en arbeiders gingen zich verenigen in vakbonden

Slide 27 - Slide

Verzuiling (20e eeuw)
Verzuiling = samenleving is verdeeld in groepen van gelijke klassen of levensovertuiging
  • Katholieken
  • Protestanten
  • Socialisten
  • Liberalen


Slide 28 - Slide

Verzuiling (20e eeuw)
Elke zuil had zijn eigen organisatie
  • Politieke partijen
  • Media
  • Onderwijs
  • Vereniging
  • Vakbonden 
Vanaf 1965 ontzuiling

Slide 29 - Slide

Emancipatie
Emancipatie = streven naar gelijke rechten door een groep die in een achtergestelde positie zit
Zoals vrouwenemancipatie
  • Rond 1900 bewuster van achtergestelde positie
  • Wilden zich organiseren net als arbeiders
  • Feminisme: 1907 Wet op Arbeidsoverenkomst (vrouwen kregen recht op eigen verdiende geld)

Slide 30 - Slide

Schoolstrijd
Schoolstrijd = strijd over financiële gelijkstelling van het openbaar en bijzonder onderwijs
  • Openbaar = georganiseerd door de staat, neutraal
  • Bijzonder = op basis van geloof

Slide 31 - Slide

Pacificatie van 1917
Einde van bepaalde kwesties (problemen)
  • Einde aan de schoolstrijd (financiële gelijkstelling)
  • Algemeen kiesrecht mannen - passief kiesrecht vrouwen
  • Stelsel van evenredige vertegenwoordiging

Slide 32 - Slide