Project taalverzorging: werkwoordspelling

Project Taalverzorging: werkwoordspelling
1 / 43
next
Slide 1: Slide
NederlandsMiddelbare schoolvwoLeerjaar 3

This lesson contains 43 slides, with interactive quizzes and text slides.

time-iconLesson duration is: 30 min

Items in this lesson

Project Taalverzorging: werkwoordspelling

Slide 1 - Slide

Slide 2 - Slide

Slide 3 - Slide

Slide 4 - Slide

Slide 5 - Slide

Slide 6 - Slide

Slide 7 - Slide

Slide 8 - Slide

Slide 9 - Slide

Slide 10 - Slide

Slide 11 - Slide

Slide 12 - Slide

Slide 13 - Slide

Slide 14 - Slide

Slide 15 - Slide

Slide 16 - Slide

Slide 17 - Slide

Slide 18 - Slide

werkwoordspelling
A
Hij heeft de boel belazerd.
B
Hij heeft de boel belazert.
C
Hij heeft de boel belazerdt.

Slide 19 - Quiz

werkwoordspelling
A
Hij bediend.
B
Hij bedient.
C
Hij bediendt.

Slide 20 - Quiz

werkwoordspelling

A
Het gebeurd regelmatig dat men fouten maakt in werkwoordspelling.
B
Het gebeurt regelmatig dat men fouten maakt in werkwoordspelling.
C
Het gebeurdt regelmatig dat men fouten maakt in werkwoordspelling.

Slide 21 - Quiz

werkwoordspelling
A
Hoe oud word je moeder morgen?
B
Hoe oud wordt je moeder morgen?

Slide 22 - Quiz

werkwoordspelling
A
Gisteren begeleiden wij de vrouw naar huis.
B
Gisteren begeleidden wij de vrouw naar huis.
C
Gisteren begeleidde wij de vrouw naar huis.
D
Gisteren begeleide wij de vrouw naar huis.

Slide 23 - Quiz

werkwoordspelling
A
Zij heeft het huis geverft.
B
Zij heeft het huis geverfd.
C
Zij heeft het huis geverfdt.

Slide 24 - Quiz

werkwoordspelling
A
Dit word vaak gezien als saai.
B
Dit wordt vaak gezien als saai.

Slide 25 - Quiz

werkwoordspelling
A
Word eens volwassen!
B
Wordt eens volwassen!

Slide 26 - Quiz

werkwoordspelling
A
Lachend kwam zij binnen.
B
Lachendt kwam zij binnen.
C
Lachent kwam zij binnen.

Slide 27 - Quiz

werkwoordspelling
A
Manou verstuurt een brief.
B
Manou verstuurd een brief.
C
Manou verstuurdt een brief.

Slide 28 - Quiz

werkwoordspelling

A
Vindt jij werkwoordspelling lastig?
B
Vint jij werkwoordspelling lastig?
C
Vind jij werkwoordspelling lastig?
D
Vondt jij werkwoordspelling lastig?

Slide 29 - Quiz

werkwoordspelling
A
Het huis is afgebrandt.
B
Het huis is afgebrant.
C
Het huis is afgebrand.

Slide 30 - Quiz

werkwoordspelling
A
Hij onthoud alles wat ik vertel.
B
Hij onthoudt alles wat ik vertel.

Slide 31 - Quiz

werkwoordspelling
A
Zij downloadt het document.
B
Zij download het document.

Slide 32 - Quiz

werkwoordspelling

A
Ik heb alle ingrediënten gemixd.
B
Ik heb alle ingrediënten gemixt.
C
Ik heb alle ingrediënten gemixed.
D
Ik heb alle ingrediënten gemixet.

Slide 33 - Quiz

werkwoordspelling
A
Ik heb de mail gedeletet.
B
Ik heb de mail gedeleted.
C
Ik heb de mail gedelete.
D
Ik heb de mail deleted.

Slide 34 - Quiz



Heb je het leerdoel behaald?
Leerdoel: Je weet hoe je werkwoorden moet vervoegen.
😒🙁😐🙂😃

Slide 35 - Poll

Slide 36 - Slide

Slide 37 - Slide

Slide 38 - Slide

Slide 39 - Slide

Slide 40 - Slide

Slide 41 - Slide

Slide 42 - Slide

Slide 43 - Slide