Nederlandse handelaren brachten de slaven, per schip, helemaal naar de andere kant van de oceaan. Vaak naar Curaçao en Suriname. De slaven die de verschrikkelijke reis overleefd hadden, gingen daar van de boot af. Ze kregen vers eten en drinken en werden opgeknapt. Daarna werden ze op een slavenmarkt verkocht.
De bazen van de plantages kwamen naar de slavenmarkt. Ze zochten er naar nieuwe slaven voor het zware werk op de plantages. Het moeste jonge, gezonde slaven zijn. Jonge en gezonde slaven waren sterker, werkten harder en leefden langer dan oude of zieke slaven.
Een bekende slavenmarkt was die op Plantage Zuurzak. Deze plantage lag in Willemstad. Dat is nu de hoofdstad van Curaçao. Vanaf deze plek moesten slaven vaak opnieuw op een boot, naar Suriname. Ze gingen mee met hun nieuwe eigenaar om op zijn plantage te werken.