11.1 Fossiele brandstoffen + 11.3 Kunststoffen maken

11.1 Fossiele brandstoffen + 11.3 Kunststoffen maken
1 / 24
next
Slide 1: Slide
ScheikundeMiddelbare schoolmavoLeerjaar 4

This lesson contains 24 slides, with interactive quizzes and text slides.

time-iconLesson duration is: 80 min

Items in this lesson

11.1 Fossiele brandstoffen + 11.3 Kunststoffen maken

Slide 1 - Slide

Programma
Activiteit
Doel
Tijdsduur
-Huiswerk nakijken
Reflecteren op vorige leerdoelen
10 min
-Formatieve check
10 min
-Fossiele brandstoffen
Nieuwe leerdoelen introduceren
15 min
-Kunststoffen
15 min
-Oefenen
Nieuwe leerdoelen verwerken
30 min

Slide 2 - Slide

Oefeningen nakijken
Ik loop langs om te controleren of je je spullen bij je hebt en of de oefeningen gemaakt zijn.

De antwoorden staan in het eerste tabblad van de Studiewijzer in Magister.
timer
10:00

Slide 3 - Slide

Reflecteren op vorige leerdoelen
Klik op de link om naar een nieuwe les te gaan, hierbij kan je zelf feedback geven op je leerdoelen:

Slide 4 - Slide

Leerdoelen
Wat behandelen we vandaag?

  • Je kunt enkele fossiele brandstoffen benoemen.
  • Je kunt uitleggen dat aardolie een mengsel van koolwaterstoffen is.
  • Je kunt de samenstelling van aardgas beschrijven.
  • Je kunt beschrijven hoe enkele producten uit aardolie worden gemaakt.
  • Je kunt het kraakproces beschrijven en weergeven in een reactievergelijking.
  • Je kunt temperaturen in graden Celsius en kelvin omrekenen.
  • Je kunt het proces van polymerisatie uitleggen.
  • Je kunt de reactievergelijking van een polymerisatie opstellen.

Slide 5 - Slide

Noem de 3 bekendste fossiele brandstoffen.

Slide 6 - Open question

Fossiele brandstoffen
Veel van onze energie komt van fossiele brandstoffen (koolwaterstoffen, moleculen met C en H atomen):
  • Aardolie
  • Aardgas
  • Steenkool

Fossiele brandstoffen zijn koolwaterstoffen van planten en dieren van miljoenen jaren geleden.

Door druk en temperatuur verandert in brandstof.
  • Deze bronnen zijn niet onuitputbaar.
  • Deze bronnen hebben zware negatieve milieueffecten.

Slide 7 - Slide

Waar wordt aardolie voor gebruikt en hoe wordt het gemaakt?
Zie je Binas voor de destillatiekolom die hiernaast staat.

Slide 8 - Slide

Asfalt
Elke dag lopen of rijden jullie wel over asfalt.
Asfalt bestaat voornamelijk uit bitumen. Voor de rest bestaat het uit mineralen.



Slide 9 - Slide

Olie in cosmetica
Oliën die in cosmeticaproducten zitten komen heel vaak uit aardolie.
Dit noem je ook wel mineraalolie.
Oliën kunnen ook uit planten komen, dan noem je het plantaardige olie.

Om mineraalolie te maken moet het extreem veel gezuiverd worden.

De cosmetische industrie gebruikt veel minerale olie. Dit is namelijk goedkoop, geur- en kleurloos, oxideert niet en kan heel makkelijk lang bewaard worden.

Slide 10 - Slide

Noem 2 voordelen en een nadeel van plastic (kunststoffen).

Slide 11 - Open question

Plastic (kunststoffen)
Voordelen:
  • Licht en sterk
  • Bestand tegen water (hydrofoob)
  • Geleiden geen warmte/stroom
  • Goedkoop
  • Verschillende kleuren

Nadelen:
  • Bij verbranding giftig voor mens en dier.
  • Kunststof breekt niet af zoals organische producten. Dus kunststof moet gerecycled worden.
  • Microplastics komen los en komen in je lichaam terecht.


Slide 12 - Slide

Polymeren
  • Kunststof = een polymeer
  • Polymeer = verbinding van monomeren
  • Monomeer = specifiek molecuul
  • Polymeren zijn lange schakelingen van moleculen.

Onder te verdelen in 2 groepen:
  • Natuurlijke polymeren (DNA, eiwitten, etc.)
  • Niet-natuurlijke polymeren (kunststoffen)



Slide 13 - Slide

Thermoharder en thermoplast
Niet-natuurlijke polymeren verdelen in:
  • Thermoharder
  • bij verwarming → verandert niet van vorm
  • bv: polyester (check je kleding)

  • Thermoplast
  • bij verwarming → zacht/smelten
  • alle plastics, bv: flesjes, kratten, hoesjes, omhulsels

Komt door dwarsverbindingen in thermoharders
daardoor gaan de polymeer-ketens niet bewegen



Slide 14 - Slide

Slide 15 - Slide

Hoe wordt kunststof gemaakt?
De monomeren van kunststof komen uit aardolie.
Aardolie wordt verwarmd in een destillatietoren.
Hierbij ontstaan fracties.

Fracties = een gescheiden deel van aardolie met heel veel stoffen erin.
De NAFTA-fractie gaat naar een kraakreactor.
De NAFTA-fractie wordt gekraakt.

Kraken = worden moleculen afgebroken in kleinere moleculen, bijvoorbeeld:
C8H16 → 4 C2H4

Slide 16 - Slide

Hoe wordt kunststof gemaakt?
Hierna gaat C2H4 naar een kunststoffabriek.
De C2H4 is een monomeer en wordt gepolymeriseerd, dat is een polymerisatiereactie.

Dit betekent dat heel veel C2H4 aan elkaar vastgeketend wordt tot een polymeer.

Een polymeer kan je in een molecuulformule als volgt neerzetten:
(C2H4)n
n = het aantal monomeren dat in het polymeer zit (1, 10, 17, 1237, 10000, etc.)

Slide 17 - Slide

Hoeveel monomeren zitten er in (C₂H₄)₂₄₁
A
6
B
241
C
247
D
1928

Slide 18 - Quiz

Polymerisatiereactie
Een polymerisatiereactie ziet er als volgt uit:

12 C2H4 --> (C2H4)12

Slide 19 - Slide

Geef de polymerisatiereactie voor 28 C₃H₈ monomeren.

Slide 20 - Open question

Kelvin
In Binas tabel 1 staat dat 0 K gelijk is aan -273 graden Celsius.

Hier moet je op een examen mee kunnen rekenen.

Slide 21 - Slide

Hoeveel Kelvin is 35 graden Celsius?

Slide 22 - Open question

Oefeningen
Ga aan de slag met de volgende oefeningen:

Hoofdstuk 11 Paragraaf 1:
10 t/m 17

Hoofdstuk 11 Paragraaf 3:
10 t/m 13

Slide 23 - Slide

Welke leerdoelen beheers je nu?
Deze leerdoelen beheers ik nu al
Deze leerdoelen beheers ik nog niet. Dus ga ik hier nog mee verder oefenen/lezen. Anders vraag ik hulp aan de docent.
Je kunt enkele fossiele brandstoffen benoemen.
Je kunt het kraakproces beschrijven en weergeven in een reactievergelijking.
Je kunt het proces van polymerisatie uitleggen.
Je kunt de samenstelling van aardgas beschrijven.
Je kunt de reactievergelijking van een polymerisatie opstellen.
Je kunt uitleggen dat aardolie een mengsel van koolwaterstoffen is.
Je kunt temperaturen in graden Celsius en kelvin omrekenen.
Je kunt beschrijven hoe enkele producten uit aardolie worden gemaakt.

Slide 24 - Drag question