Dialoog:
Kassa.
1. Goedemorgen!
2. Goedemorgen!
1. Dat wordt dan ..... euro.
1. Wilt u pinnen of contant betalen.
2. Ik wil graag contant betalen.
1. Het wisselgeld is ..... euro.
2. Dank je wel.
1. Wilt u het bonnetje mee.
2. Ja ik wil graag een bonnetje mee.
1. Een fijne dag gewenst.
2. Fijne dag