A1 les 16

les 16
1 / 22
next
Slide 1: Slide
NT2MBOVoortgezet speciaal onderwijsLeerroute 5Studiejaar 2

This lesson contains 22 slides, with interactive quizzes and text slides.

time-iconLesson duration is: 50 min

Items in this lesson

les 16

Slide 1 - Slide

Lesplan
1. check in
2. spreekoefening  een stelling
3. Uitleg gebiedende wijs + oefeningen
4. Lezen
5. Nieuwe woorden 
6. Spreekoefening Waarheid en Leugen

Slide 2 - Slide

"Dieren horen niet in een dierentuin, maar in het wild."

Slide 3 - Slide

Wat is de gebiedende wijs?

  • De gebiedende wijs gebruik je om een opdracht, bevel of advies te geven.
  • Er is geen onderwerp in de zin.
  • Het werkwoord staat vooraan in de zin.

Slide 4 - Slide

Gebiedende wijs
Sta op!
Loop naar het bord!
Doe het raam dicht!
Doe het raam weer open!
Klap in je handen!
Ga weer zitten!

Slide 5 - Slide

Wanneer?
  • Een bevel
  • Een instructie
  • Een waarschuwing
  • Een verzoek

Slide 6 - Slide

Theorie
Gebiedende wijs:

– Je gebruikt de ik-vorm van het werkwoord.
– Je zegt geen 'wie' of 'wat'.
– Er staat meestal een uitroepteken ('!') achter de zin.

Slide 7 - Slide

Gebiedende wijs
Sta op!
Loop naar het bord!
Doe het raam dicht!
Doe het raam weer open!
Klap in je handen!
Ga weer zitten!

Slide 8 - Slide

geven

.... die meneer eens een hand!
A
geven
B
geef
C
gaf
D
geeft

Slide 9 - Quiz

Welke zin staat in de gebiedende wijs?
A
Je moet opletten hoor!
B
Let op!

Slide 10 - Quiz

Welke zin staat in de gebiedende wijs?
A
Je mag niet bewegen!
B
Je moet niet bewegen.
C
Beweeg je niet.

Slide 11 - Quiz

pakken

........ maar een snoepje.

A
pakken
B
pak
C
pakk
D
pakt

Slide 12 - Quiz

Welke zin is goed?

A
Wordt niet boos!
B
Wort niet boos!
C
Wor niet boos!
D
Word niet boos!

Slide 13 - Quiz

Welke zin staat in de gebiedende wijs?
A
Pak die kroket eens aan!
B
Die kikker is vies!
C
Jij gemenerik!
D
Goed idee!

Slide 14 - Quiz

Welke zin staat in de gebiedende wijs?
A
Maak het eten op smaak met zout en peper.
B
Je moet het eten even op smaak brengen.

Slide 15 - Quiz

Juf vraagt de kinderen om hun boek open te doen op bladzijde 17.
A
We gaan beginnen op blz. 17.
B
Ik begin met de les op blz. 17.
C
Ik wil graag dat jullie je boek pakken.
D
Doe je boek open op bladzijde 17.

Slide 16 - Quiz

Slide 17 - Link

Slide 18 - Link

De omgeving – Het gebied rond een stad, dorp of huis.

Het openbaar vervoer – Bus, trein of tram waar iedereen mee kan reizen.

Beschermen – Iets of iemand veilig houden.

Het klimaat – Het weer in een land of een gebied over een lange tijd.

Uitnodigen – Vragen of iemand naar een feest of activiteit wil komen.

De afspraak – Een moment dat je met iemand hebt gepland.

De mogelijkheid – Iets wat kan gebeuren of wat je kunt kiezen.

Vergeten – Niet meer weten waar iets is of wat je moest doen.

Slide 19 - Slide

“3 Waarheden en 1 Leugen”
  • Bedenk vier korte zinnen over jezelf, maar één is niet waar.
  • De docent moet raden welke zin een leugen is door vragen te stellen.
  • Daarna draait de rol om: de docent doet hetzelfde en de student stelt vragen!

Slide 20 - Slide

“3 Waarheden en 1 Leugen”
Ik heb een keer gebungeejumpt.
Ik hou niet van mandarijnen.
Ik ben ooit op televisie geweest.
Ik woon in een jaren 30 huis.

Slide 21 - Slide

Wat heb je geleerd?
- Wat vond je van de les?
- Wat wil je volgende week leren?

Slide 22 - Slide