De omgeving – Het gebied rond een stad, dorp of huis.
Het openbaar vervoer – Bus, trein of tram waar iedereen mee kan reizen.
Beschermen – Iets of iemand veilig houden.
Het klimaat – Het weer in een land of een gebied over een lange tijd.
Uitnodigen – Vragen of iemand naar een feest of activiteit wil komen.
De afspraak – Een moment dat je met iemand hebt gepland.
De mogelijkheid – Iets wat kan gebeuren of wat je kunt kiezen.
Vergeten – Niet meer weten waar iets is of wat je moest doen.