Kosten die zijn gemaakt en die je niet meer kunt terugverdienen als de activiteit wordt gestaakt, omdat er geen andere gebruiksmogelijkheden zijn.
Invloed op schaalgrootte en versterken comparatief voordeel.
Slide 3 - Slide
Factorproductiviteit
Factorproductiviteit geeft aan hoe goed arbeid en kapitaal (machines) worden ingezet in een land.
Factorproductiviteit stijgt door:
Scholing, specialisatie, veel R&D, innovaties, beter milieu, etc...
Slide 4 - Slide
Productiestructuur
Rijkere landen
Grote hoeveelheden kapitaalgoederen, hooggeschoolde bevolking.
Armere landen
Grote hoeveelheden goedkope laaggeschoolde arbeiders vooral arbeidsintensieve productie.
Slide 5 - Slide
Multinational:
een groot bedrijf dat in meerdere landen economisch actief zijn met de productie en/of verkoop van hun goederen en diensten.
Internationale arbeidsverdeling: Ieder land produceert goederen en diensten waar hij het best of het goedkoopst in is.
Slide 6 - Slide
VOC als eerste multinational?
Slide 7 - Slide
Wat verhoogd de factorproductiviteit NIET?
A
corruptie
B
instituties
C
innovatie
D
hoge kwaliteit machines
Slide 8 - Quiz
Bepaal voor Engeland en Portugal het comparatieve voordeel
A
Engeland kleding en wijn
B
Portugal kleding en wijn
C
Engeland kleding en Portugal Wijn
D
Portugal wijn en Engeland kleding
Slide 9 - Quiz
Vrijhandel
Bij vrijhandel kunnen landen zonder belemmeringen met elkaar handelen.
Binnen de Europese Unie is er vrijhandel.
Slide 10 - Slide
Vrijhandel
Slide 11 - Slide
Vrijhandel en protectie
Binnen de EU is er vrijhandel. T.o.v. niet- EU landen, wil de EU de eigen economie en werkgelegenheid beschermen door het nemen van protectiemaatregelen.
Wereldwijd zijn er meer afspraken tussen bepaalde landen : vrijhandelszondes
Groepen landen die geen onderlinge protectiemaatregelen hebben.
Slide 13 - Slide
Protectionisme
Tarifaire maatregelen (invloed prijs)
Invoerrechten (importheffingen).
Exportsubsidies
Non-tarifaire maatregelen
Invoercontigenten (importquote)
Kwaliteiteseisen
Slide 14 - Slide
Situaties aanvaardbaar protectionisme
Nationaal belang. Geen problemen als er internationale conflicten zijn bijvoorbeeld voedselvoorziening.
Infant industry. Opzet gaat vaak samen met hoge investeringskosten.
Binnenlandse productie niet afhankelijk laten woren van buitenlandse toeleveranciers.
Afdwingen bepaalde productiewijze ter bescherming van mens en milieu.
Slide 15 - Slide
Waarom stimuleert vrijhandel innovaties?
Slide 16 - Open question
Wat is een gevolg van vrijhandel?
A
Concurrentie neemt toe
B
Concurrentie neemt af
C
Er is geen verschil
D
Er ontstaat meer criminaliteit
Slide 17 - Quiz
Wat is het doel van protectionisme?
A
Werkgelegenheid eigen land beschermen
B
Opkomen voor arme boeren in het buitenland
C
Vrije wereldhandel stimuleren
D
Prijsstabiliteit
Slide 18 - Quiz
Stelling 1 Een contingent is een voorbeeld van non-tarifaire invoerrecht. Stelling 2 Tarifaire invoerrechten maken import producten duurder zodat de nationale werkgelegenheid beschermd wordt.
A
1+2 zijn juist
B
1+2 zijn onjuist
C
1 is juist; 2 is onjuist
D
1 is onjuist; 2 is juist
Slide 19 - Quiz
Wat zijn non-tarifaire maatregelen in protectionisme?
A
Importheffingen en exportsubsidies
B
Invoerquotum en eisen stellen aan geïmporteerde producten
C
Beschermende maatregelen met directe prijsinvloed
D
Geen invloed hebben op de prijs
Slide 20 - Quiz
Twee beweringen. I. Een uitvoersubsidie is een non-tarifaire handelsbelemmering. II. Een local-content voorschrift is een tarifaire handelsbelemmering.