BS Verkeer 52-73 v

BS Verkeer 52-73
52 Verkeer week 6



1 / 88
next
Slide 1: Slide
BurgerschapISK

This lesson contains 88 slides, with interactive quizzes and text slides.

time-iconLesson duration is: 60 min

Items in this lesson

BS Verkeer 52-73
52 Verkeer week 6



Slide 1 - Slide

54 - Kleur de verkeersborden. 

Slide 2 - Slide

53 - Kleur de tekening. 

Slide 3 - Slide

54 - Verkeersborden
- Zo zit dat met verkeersborden VVN
- Wat betekenen de borden
Kies uit:
- Het voetpad bord geeft aan dat er hier sprake is van een pad voor voetgangers ( = mensen die lopen) (2)
- Het fietspad bord geeft aan dat er hier sprake is van een verplicht fietspad. (1)


Slide 4 - Slide

54 - Verkeersborden -Kies uit
- Dit bord geeft aan dat dit een pad voor voetgangers ( = mensen die lopen) (ook 2)
- Dit bord geeft aan dat dit een verplicht (moet) fietspad is. (3)
- Dit bord waarschuwt voor een gevaarlijk kruispunt. (6)
- Dit bord geeft aan dat er gebruik mag worden gemaakt van dit fietspad, maar dat het niet verplicht is. (ook 1)




Slide 5 - Slide

54 - Verkeersborden kies uit vervolg
- Dit bord laat zien dat je hier van deze kant niet in mag rijden. (5)
- Dit bord geeft aan dat er hier sprake is van een woonerf. Hier is een maximale snelheid van 15 km per uur toegestaan. (4)
- Dit bord geeft aan dat u voorrang moet geven aan bestuurders op een kruisende weg. (7)


Slide 6 - Slide

54 - Verkeersborden
- Zo zit dat met verkeersborden VVN
- Wat betekenen de borden
Kies uit:
- Het voetpad bord geeft aan dat er hier sprake is van een pad voor voetgangers ( = mensen die lopen)
- Het fietspad bord geeft aan dat er hier sprake is van een verplicht fietspad.


Slide 7 - Slide

55 Teken de borden.
Welke hoort waar?
1                                                        2                                     3 



         4                                                                 5

Slide 8 - Slide

1 - Voorrangsweg. Het andere verkeer moet op je wachten. 
2 - Einde van de voorrangsweg. Het verkeer van rechts heeft weer voorrang.
3. Jij mag eerst op dit kruispunt.
4. Je hebt voorrang. Je mag eerst. Het verkeer van links moet op je wachten. (G.T.)

Slide 9 - Slide

5. Je hebt voorrang. Je mag eerst. Het verkeer van rechts moet op je wachten.
6. Je moet wachten.
7. De haaientanden. Je hebt geen voorrang. Je moet wachten.
8. Stop altijd als je dit bord ziet. Ook als je geen ander verkeer ziet!

Slide 10 - Slide

Nederlands leren 57
Het verkeer (3.26)


Slide 11 - Slide

welk bord is dit zie volgende slide

Slide 12 - Slide

Welk bord is dit?
A
Rechts heeft voorrang
B
Dit is een woonerf, je mag niet harder dan 50 km per uur
C
Dit is een fietspad
D
Dit is een woonerf, je mag niet harder dan 15 km per uur

Slide 13 - Quiz

57
Nederlands leren

Slide 14 - Slide

58 Wie mag eerst?
- Rechtdoor op dezelfde weg gaat voor. YT  1.28
- Rechts mag eerst = rechts heeft voorrang
- Een tram die de bocht omgaat, mag eerst

Slide 15 - Slide

58
Rechtdoor op dezelfde weg gaat voor. YT  1.18

Rechts mag eerst, maar niet altijd! YT 0.15
Haaientanden.

Slide 16 - Slide

58 + 59
Een tram die de bocht omgaat, mag eerst.

Slide 17 - Slide

60 - 1 Wie mag eerst?
A
De fietser
B
De auto

Slide 18 - Quiz

60 - 1
Schrijf onder de foto's
Foto 1: De auto mag eerst, want rechts heeft voorrang.

Slide 19 - Slide

60 - foto 2
Wie mag eerst?
A
de fietser
B
de auto

Slide 20 - Quiz

60 - foto 2
Schrijf onder de foto's
Foto 2  De fietser mag eerst want rechtdoor op dezelfde weg gaat voor.

Slide 21 - Slide

61 - foto 1
Wie mag eerst?
A
de brommer
B
de auto

Slide 22 - Quiz

61 foto 1
Wie mag eerst?
Schrijf onder de foto's
foto 1: De brommer mag eerst, want hij komt eigenlijk van rechts.

Slide 23 - Slide

61 - foto 2
Wie mag eerst?
A
de tram
B
de fietser

Slide 24 - Quiz

61 foto 2. Wie mag eerst?
Schrijf onder de foto's:
Foto 2 - De tram mag eerst want deze heeft altijd voorrang.

Slide 25 - Slide

62 - foto 1
Wie mag eerst?
A
de fietser
B
de auto

Slide 26 - Quiz

62 foto 1
Schrijf onder de foto's:
Foto 1. De fietser mag eerst want hij komt van rechts en heeft dus voorrang.

Slide 27 - Slide

62 - 2
Wie mag eerst?
A
de brommer
B
de auto

Slide 28 - Quiz

62 - foto 2
Schrijf onder de foto's:
Foto 2: De brommer mag eerst, want rechtdoor op dezelfde weg gaat voor.

Slide 29 - Slide

62 Nederlands leren.
werkwoorden.(les 11)
1. Ik loop                7 Wij eten    13. Hij schrijft
2. Wij fietsen       8 Hij loopt    14. Eten we
3. Hij luistert        9 Ik fiets        15. Hij leert
4. Ik praat            10 Wij luisteren
5. Jij werkt           11 Jullie praten
6. Ik schrijf           12 De leerlingen werken

Slide 30 - Slide

Toets blad 2
1. gaat voor / heeft voorrang    8. 15
2.een banaan 
3. gaat voor.
4.Op het voetpad
5. rood
6. zebrapad
7. groen

Slide 31 - Slide

63
Toets werkwoorden en andere woorden. 

Slide 32 - Slide

63 - 1
Wie mag eerst?
A
de auto
B
de fietser

Slide 33 - Quiz

63 foto 1

Schrijf onder foto 1
De auto mag eerst want er is een bord die zegt dat hij voorrang heeft.

Slide 34 - Slide

63 - 2
Wie mag eerst
A
de blauwe fiets
B
de bruine fiets

Slide 35 - Quiz

63 foto 2
Schrijf op:
Foto 2.
De bruine fiets heeft voorrang want hij komt van rechts.

Slide 36 - Slide

Foto 1
Wie heeft voorrang (= mag eerst)
A
de auto
B
de fietser

Slide 37 - Quiz

64 foto 1
Schrijf onder de foto's
Foto 1. De Fietser heeft voorrang, want deze rijdt op een voorrangsweg. Kijk naar het bord.

Slide 38 - Slide

Foto 2
Wie mag eerst?
A
De auto
B
de fietser

Slide 39 - Quiz

64 foto 2
Schrijf onder de foto's
Foto 2:
De fietser heeft voorrang, want rechtdoor op dezelfde weg gaat voor.

Slide 40 - Slide

Blz. 65 foto 1 wie mag eerst (= heeft voorrang)
A
de scooter
B
de auto

Slide 41 - Quiz

65 foto 1 Wie mag eerst
Schrijf op onder de foto's:
Foto 1. De auto heeft voorrang (= mag eerst) want er staat een voorrangsbord voor de scooter.

Slide 42 - Slide

Blz. 65 Foto 2
wie mag eerst
A
De auto
B
de fietser

Slide 43 - Quiz

blz. 65 foto 2
schrijf op onder de foto's 
De fietser heeft voorrang (= mag eerst) want de auto moet stoppen voor de haaientanden. 

Slide 44 - Slide

Wie mag eerst, wie als tweede en wie als derde.
A
1. de blauwe fietser 2. de auto 3. de bruine fietser
B
1. de auto 2. de blauwe fietser 3. de bruine fietser
C
1. de bruine fietser 2. de blauwe fietser 3. de auto
D
1. de blauwe fietser 2. de bruine fietser 3. de auto

Slide 45 - Quiz

blz. 66
Schrijf op:
1. De bruine fietser mag eerst want hij komt van rechts
2. De blauwe fietser mag als tweede, want rechtdoor op dezelfde weg gaat voor.
3. De auto mag als derde (laatste).

Slide 46 - Slide

66 Nederlands leren.
Werkwoorden heden = nu en verleden = bijvoorbeeld gisteren.
Nederlands leren  ( tot 1.56)

Slide 47 - Slide

67 foto 1
Waar mag je fietsen?

A
Op de straat
B
In de berm
C
Op het fietspad
D
Op het voetpad

Slide 48 - Quiz

67 foto 1
Je moet dan op het fietspad fietsen. Betekenis

Slide 49 - Slide

67 foto 2
Waar mag je fietsen?

Slide 50 - Slide

67 foto 2
Waar mag je fietsen
A
Op de straat
B
Op de fietsstrook
C
Op de stoep

Slide 51 - Quiz

67 foto 2
Antwoord: op de fietsstrook.                      Fietspad

Slide 52 - Slide

68 Waar moet je fietsen?

Slide 53 - Slide

blz. 68
Welke fietser doet het goed?
A
De fietser links <<<<
B
De fietser in het midden
C
De fietser rechts >>>>

Slide 54 - Quiz

68 
Schrijf onder de foto:
De fietser rechts doet het goed.
Het werkwoord = doen
Ik   DOE
jij, hij zij en u  DOET
jullie, wij en zij   DOEN

Slide 55 - Slide

69 foto 1
Mag je hier fietsen?

Slide 56 - Slide

69 foto 1
Mag je hier fietsen?
Ja dat mag (= goed)
Nee, dat mag niet.(= niet goed)

Slide 57 - Poll

69 foto 1
Nee je mag hier niet fietsen, want er is een fietspad.

Slide 58 - Slide

69 foto 2
Mag je hier fietsen?

Slide 59 - Slide

69 foto 2
Mag je hier fietsen?
Ja dat mag
Nee dat mag niet

Slide 60 - Poll

69 antwoord foto 2
Schrijf onder de foto:

Nee dat mag niet, want er is een fietsstrook.

Slide 61 - Slide

blz. 70 Mag je hier fietsen?

Slide 62 - Slide

blz. 70 foto 1
Mag je hier fietsen?
A
Ja dat mag
B
Nee want dit een wandelpad.

Slide 63 - Quiz

70 foto 1
Schrijf onder de foto's'
Foto 1: Nee dat mag niet want het is een wandelpad.

Slide 64 - Slide

blz. 70
Foto 2. Mag je hier fietsen?

Slide 65 - Slide

Blz. 70 foto 2
Mag je hier fietsen?
A
Ja want het is een fietsstrook.
B
Nee dat mag niet

Slide 66 - Quiz

blz. 70 
foto 2
Antwoord foto 2, schrijf dit onder de foto.

Ja je mag hier fietsen, want het is een fietsstrook.

Slide 67 - Slide

blz. 71 Mag je hier fietsen.

Slide 68 - Slide

blz. 71
Mag je hier fietsen?
A
Ja dat mag aan de rechterkant van de weg.
B
Nee dat mag niet.

Slide 69 - Quiz

blz. 71 Mag je hier fietsen?
Schrijf op in je boek onder foto:

Ja dat mag aan de rechterkant van de weg.

Slide 70 - Slide

71. Werkwoorden oefenen
Fietsen
Ik

hij, zij, jij, u

Wij, jullie, zij (meer dan 1)

Slide 71 - Slide

71. Werkwoorden oefenen
Luisteren
Ik

hij, zij, jij, u 

Wij, jullie, zij (meer dan 1)

Slide 72 - Slide

71. Werkwoorden oefenen
Leren
Ik

hij, zij, jij, u

Wij, jullie, zij (meer dan 1)

Slide 73 - Slide

71. Werkwoorden oefenen
Praten
Ik

hij, zij, jij, u

Wij, jullie, zij (meer dan 1)

Slide 74 - Slide

71
Nederlands leren cijfers één tot en met 10  
 +    =
-      =
:      =
x     =

Slide 75 - Slide

71
Nederlands leren cijfers één tot en met 10  
=     =   is
 +    =   plus
-      =   min
:      =    delen / gedeeld door
x     =    keer

Slide 76 - Slide

71
Nederlands leren cijfers één tot en met 10  
=     =   is          +    =   plus       -      =   min
:      =    delen / gedeeld door       x     =    keer

7 x 8 = .   .  + 44 = 
zeven keer acht is zesenvijftig plus vierenveertig is honderd

Slide 77 - Slide

71
Nederlands leren cijfers één tot en met 10  
=     =   is          +    =   plus       -      =   min
:      =    delen / gedeeld door       x     =    keer
a. 9 x 8 = . . + 28 = . . : 25 = . . 
negen keer acht is twee en zeventig plus acht en twintig is honderd.
b. 900 : 30 = .. x 5 = 150 - 149 = 

Slide 78 - Slide

71
Nederlands leren cijfers één tot en met 10  
=     =   is          +    =   plus       -      =   min
:      =    delen / gedeeld door       x     =    keer
a. 9 x 8 = . . + 28 = . . : 25 = . .    
b. 900 : 30 = .. x 5 = 150 - 149 = 
negenhonderd delen door dertig (30) is dertig keer vijf is 
honderdvijftig min honderdnegen en veertig is een

Slide 79 - Slide

72
Telefoon tijdens het fietsen.

Slide 80 - Slide

Hoeveel keer groter is de kans dat je een ongeluk krijgt als je op je telefoon zit tijdens het fietsen?
A
4 x
B
5 x
C
6 x
D
7 x

Slide 81 - Quiz

72 Telefoon als je fietst
Schrijf op in je boek.
1. De kans is 6 x groter dat je een ongeluk krijgt, als je fietst met je telefoon.

Slide 82 - Slide

Waarom vinden veel mensen het moeilijk om de telefoon weg te doen op de fiets.
A
Het is niet gevaarlijk.
B
We vinden dat we altijd bereikbaar moeten zijn.
C
Er gebeuren nooit ongelukken.

Slide 83 - Quiz

72. 
Schrijf op.
2. Veel mensen vinden dat ze altijd bereikbaar moeten zijn.


Slide 84 - Slide

Wat is de beste oplossing?
A
De telefoon wegdoen als je fietst.
B
De telefoon op vliegtuigstand zetten.
C
alle drie
D
Een app downloaden dat je (even) niet bereikbaar bent.

Slide 85 - Quiz

72. 
3. De beste manier is 
- Je telefoon wegdoen of uitzetten.

Telefoon altijd gebruiken? (YT) 0.40

Slide 86 - Slide

73. Verlichting op je fiets.
Fietsverlichting is belangrijk.  (3.53)

Kom veilig thuis. (site)

Slide 87 - Slide

Slide 88 - Slide