woordenschat les 1

1 / 20
next
Slide 1: Video
NederlandsPraktijkonderwijsLeerjaar 3

This lesson contains 20 slides, with interactive quizzes, text slides and 1 video.

time-iconLesson duration is: 45 min

Items in this lesson

Slide 1 - Video

vandaag gaan we:
...aan de slag met woordenschat.

- We leren HOE  we woorden moeten schrijven
- WAT ze betekenen 
- en of we andere woorden kunnen maken van woorden die al bestaan 

Slide 2 - Slide

Woordenschat

Slide 3 - Slide

Woordenschat, wat is dat?

Slide 4 - Slide

Wat is woordenschat ?

Slide 5 - Open question

Woordenschat
Wat betekent: bijstellen?
A
gedeeltelijk
B
op maat gemaakt
C
aanpassen, veranderen
D
flink feest vieren

Slide 6 - Quiz

woordenschat:
Wat betekent 'circa'?
A
ongeveer
B
afmaken
C
citroen
D
begin/opening

Slide 7 - Quiz

Woordenschat
Wat betekent pluimvee
A
een pluim
B
een koe die zich goed gedraagt
C
een sprookjes fee met een pluim
D
kippen en kalkoenen

Slide 8 - Quiz

woordenschat
Wat betekent vermijden?
A
voorkomen
B
meisjesachtig
C
rekening houden met
D
onthouden

Slide 9 - Quiz

de melodie
het orkest
het festival
repeteren
het podium

Slide 10 - Drag question

hoe schrijf je het woord..
A
het verkerongeluk
B
het verkeerongeluk
C
het verkeerongelluk
D
het verkeersongeluk

Slide 11 - Quiz

Hoe schrijf je het woord?
A
's Ochtends
B
'S ochtends

Slide 12 - Quiz


Om welk woord gaat het hier?
A
hygiënisch
B
vegetarisch
C
de houdbaarheidsdatum
D
de ingrediënten

Slide 13 - Quiz

ander woord voor ergens zijn:
A
verblijven
B
bestaan

Slide 14 - Quiz

Een ander woord voor een grasveld is
A
de oliebol
B
gazon
C
matje
D
bemesten

Slide 15 - Quiz

Wat is de betekenis van het woord:
expres?
A
met opzet
B
inzet
C
trompet

Slide 16 - Quiz

Je krijgt zo een aantal post-it papiertjes. ..

Slide 17 - Slide

Welk ander woord kunnen we maken van het woord: 

Onderbroek 

Slide 18 - Slide

wedstrijdje... 
maak groepjes van................... personen 
Probeer zoveel mogelijk ECHTE woorden te maken van het woord:

                                        KERSTOMAATJE 

Het groepje met de meeste woorden WINT ! 

Slide 19 - Slide

Slide 20 - Link