24/25 week 17 maart


  • werkwoord aller
  • de weg vragen en wijzen 
Le but: à la fin de ce cours:
  • weet ik waar ik nog aan moet werken voor TW3
  • heb ik het werkwoord aller herhaald en kan ik de weg aan iemand uitleggen.

1 / 40
next
Slide 1: Slide
FransMiddelbare schoolvwoLeerjaar 2

This lesson contains 40 slides, with interactive quizzes, text slides and 2 videos.

time-iconLesson duration is: 60 min

Items in this lesson


  • werkwoord aller
  • de weg vragen en wijzen 
Le but: à la fin de ce cours:
  • weet ik waar ik nog aan moet werken voor TW3
  • heb ik het werkwoord aller herhaald en kan ik de weg aan iemand uitleggen.

Slide 1 - Slide

Planning komende lessen
vandaag
werkwoord aller
weg vragen / wijzen - écrire
do (vr)
de ontkenning (ne...pas)
vragen over je huis/kamer beantwoorden
ma 24/3
Het bijvoeglijk naamwoord en oefentoets
do (vr) 27/3
laatste vragen, oefenen alle onderdelen

Slide 2 - Slide

Slide 3 - Video

Au travail
Maken oefening 8g blz 142

Al gedaan? Maak de oefening op volgende slide

Slide 4 - Slide

être, aller of avoir
1.  __________________ une jolie chambre. (Louis heeft)
2. _________ le frère de mon amie. (Het is)
3. ____________ au cinéma. (mijn ouders gaan)
4. Sophie _______________ 12 ans. (deze weet je zelf)
5. ________________ à la maison en bus. (ik ga)
6. ! Nous aimons ____________________ à l’école. (gaan)
7.  ____________ une jolie voiture! (zij heeft)
8. Maman et papa ___________________ au cinéma. (gaan)
9. _______________ toujours en voiture à l’école? (jij gaat)
10. ___________________ beaucoup (=veel) de livres! (wij hebben)

Slide 5 - Slide

Antwoorden 8g
1. ils vont
2. les garçons vont
3. nous allons / on va
4. vous allez / allez-vous
5. Annélie va
6. Tu vas
7. nous allons/on va
8. il va
Extra oefening
1. Louis a
2. c'est
3. mes parents vont
4. a
5. je vais
6. aller
7. elle a
8. vont
9. tu vas
10. nous avons / on a

Slide 6 - Slide

Blz 118: ALLER - let op!
In het Frans kun je direct na de vorm van aller een heel werkwoord gebruiken. Zo geef je aan dat er iets binnenkort gaat gebeuren. Deze werkwoordsstijl heet de futur proche.

Demain, je vais jouer de la guitare - morgen ga ik gitaar spelen
Cet après-midi, nous allons regarder la télé - vanmiddag gaan we televisie kijken.

Slide 7 - Slide

Ontdek de fout
1. Demain, on va un film regarder
2. Vous avons une jolie maison.
3. Les filles elles vont à la plage
4. Ce soir, je vais visite un concert.

Slide 8 - Slide

Ontdek de fout
1. Demain, on va regarder un film (owerp - ww - rest van de zin)
2. Vous avez une jolie maison (uitgang -ons hoort bij nous)
3. Les filles vont à la plage (les filles - onderwerp, geen elles)
4. Ce soir, je vais visiter un concert (hele werkwoord)

Slide 9 - Slide

Hoe vertaal je?

Demain soir, ...............(ga ik dansen)

Slide 10 - Slide

Hoe vertaal je?


Demain soir, ...............(ga ik dansen)

Demain soir je vais danser.

Slide 11 - Slide

Apprendre 7
Doornemen zinnen 1, 2, 3, 4
Hoe zeg je nu:
Pardon, ik zoek de bakker?
Je neemt de 1e /3e straat naar rechts
De school is naast het parc.


Slide 12 - Slide

Apprendre 7

Pardon, je cherche la boulangerie?  
Tu prends la première/troisième rue à droite 
De school is naast het parc.


Slide 13 - Slide

18/3
Je gesprekspartner begint met: 
‘Pardon, je cherche la plage.’
Wat voor antwoord geef je?


Je gesprekspartner begint met: 
Où est la piscine?
Wat voor antwoord geef je?

Je gesprekspartner begint met: 
Où est l'entrée du parking?
Wat antwoord je?



Slide 14 - Slide

Les devoirs

Leren:
Apprendre 5 blz 134/135 (ook de andere vormen: niet meer, nooit, niets)
Apprendre 7 zin 1, 2, 3, 4 (inclusief nieuwe zinnen gemaakt in de les)

Slide 15 - Slide

We gaan een filmpje bekijken
Hoe vraagt de man hoe laat de trein naar Carcassonne vertrekt?
Hoe laat vertrekt de trein?
Hoe vraagt hij om een kaartje naar Carcassonne?
Wat is een retourtje ?
Wat is een enkele reis?
Hoe zegt de man dat dat te duur is?
Hoe reageert de vrouw ?




Slide 16 - Slide

Slide 17 - Video

Hoe laat vertrekt de trein?
A
À quelle heure part le train?
B
À quelle heure arrive le train?

Slide 18 - Quiz

Hij vertrekt om 9 uur
A
Il part à deux heures
B
Il part à quatre heures
C
Il part à neuf heures
D
Il part à quinze heures

Slide 19 - Quiz

Hoe vraagt hij om een kaartje naar Carcassonne?
A
Une billet
B
Un billet s'il vous plaît
C
Une billet s'il vous plaît
D
Un billet

Slide 20 - Quiz

Wat is een retourtje ?
A
Un aller
B
Un retour et aller
C
Un retour
D
Un aller et retour

Slide 21 - Quiz

Wat is een enkele reis?
A
un aller simple
B
un aller
C
un retour simple
D
un simple

Slide 22 - Quiz

Hoe zegt de man dat het te duur is?
A
C'est trop bon marché
B
C'est chèr
C
C'est trop chèr
D
C'est chèr trop

Slide 23 - Quiz

Hoe reageert de vrouw ?
A
C'est dommage
B
Prenez donc le bus
C
Zut alors
D
Va à pied

Slide 24 - Quiz

  • de ontkenning
  • je huis / kamer beschrijven
Le but: à la fin de ce cours:
  • heb ik de ontkenning herhaald en kan ik mijn huis/slaapkamer beschrijven

Slide 25 - Slide

De ontkenning blz 134
Je moet het werkwoord herkennen in een zin
Onderstreep dat, daarna ne, n' ervoor, pas erachter

Andere ontkenningsvormen:
ne....plus = niet meer, geen meer
ne... jamais = nooit
ne...rien = niets
Uit je hoofd leren!

Slide 26 - Slide

Ontdek de fouten
1. Ce soir, je ne vais visiter pas un concert 
2. C'est ne pas drôle.
3. Il ne habite pas à Delft

Slide 27 - Slide

Ontdek de fouten
1. Ce soir, je ne vais pas visiter un concert (meerdere ww, pas achter persoonsvorm)
2. Ce n'est pas drôle (c'est - ce n'est pas)
3. Il n' habite pas à Delft (stomme h)

Slide 28 - Slide

Maken 16f en 16g - 143
Onderstreep eerst de werkwoorden
Al klaar?
Ik kom bij je kijken. Maak exercice 16H.

Slide 29 - Slide

Antwoorden 16f
1. Je ne regarde pas la télevision
2. Nous n'habitons pas à Paris
3. Vous n'allez pas au collège?
4. Tu ne prends pas la deuxième rue à gauche?
5. Elles ne parlent pas au prof?
6. Il n'aime pas la musique?

Slide 30 - Slide

Antwoorden 16 g
  1. je ne vais pas à Paris (ce weekend)
  2. ne parlons pas dans la classe
  3. Non, il n'habite pas dans un appartement
  4. Non, elles n'ont pas deux ordinateurs
  5. Non, nous ne sommes pas amies
  6. Non, ce n'est pas tout près
  7. Non, il n'aime pas les maths
  8. Non, elles ne vont pas dans les Pyrénées. 

Slide 31 - Slide

Ta maison idéale 
Maken: 
exercice 26 (let goed op spelling)
exercice 27 (zoek de zinnen in de tekst, onderstreep en schrijf over)
exerice 28 (combineer de zinnen)
exercice 29 

Slide 32 - Slide

Les devoirs
leren apprendres 8 en 9

Slide 33 - Slide

Les devoirs
Leren voorkant stencil bijvoeglijk naamwoord
ook de uitzonderingen

Slide 34 - Slide


daarna voorbeeld van huis laten zien
vragen stellen en laten beantwoorden

Slide 35 - Slide

Bijvoeglijk naamwoord

Meestal achter zelfstandig naamwoord
Soms ervoor (uitzonderingen leren)
Vrouwelijk en mannelijk meervoud e, es, s
Uitzonderingen uit hoofd leren (heureux, heureuse, français, rouge, bon- bonne etc)

Slide 36 - Slide

Bijvoeglijk naamwoord: let op!
Ook in de volgende zinnen met être staan bijvoeglijke naamwoorden.

Jean est grand
Jeanne est grande
Mes chaussures sont rouges.

Slide 37 - Slide

Ontdek de fout
1. Jean est un garçon grand.
2. Sophie et Anne est jolie.
3. Ma grand-mère est vieuxe.

Slide 38 - Slide

Ontdek de fout
1. Jean est un grand garçon (uitzondering)
2. Sophie et Anne sont jolies (mv vrouwelijk, ook ww mv)
3. Ma grand-mère est vieille (onregelmatige vr vorm)

Slide 39 - Slide

Au travail
Classroom oefeningen
Extra werkbladen
Woordjes leren

Slide 40 - Slide