Blok 5 - les 9 - woordenschat geheimtaal

lesdoel
Ik leer woorden bij het thema geheimtaal en ik leer de
woorden te onthouden met een woordtrap.
1 / 36
next
Slide 1: Slide

This lesson contains 36 slides, with interactive quizzes and text slides.

Items in this lesson

lesdoel
Ik leer woorden bij het thema geheimtaal en ik leer de
woorden te onthouden met een woordtrap.

Slide 1 - Slide

Samen lezen
Zet een ? bij woorden die je niet kent!

Slide 2 - Slide

Hoe zien Sharon en Aicha dat er ingebroken is?
Wat gaan ze nu doen, denk je?
Naar wat voor bewijs zoekt de politie als er ergens is ingebroken?

Slide 3 - Slide

afluisteren
stiekem meeluisteren.



Ik luister af
Ik luisterde af
Ik heb afgeluisterd
Ik luisterde mijn vader af toen hij mijn juf aan de telefoon had.

Slide 4 - Slide

het bewijs
een feit dat duidelijk maakt dat iets waar is.
De voetafdruk die is gevonden op de plaats delict komt duidelijk overeen met de schoenen van de verdachte. Dat is een duidelijk bewijs.

Slide 5 - Slide

controleren
kijken of alles in orde is



Ik controleer
Ik controleerde
Ik heb gecontroleerd
Op een vliegveld wordt jouw paspoort en bagage altijd goed gecontroleerd.

Slide 6 - Slide

dankzij
Door hulp van.
Dankzij de hulp van mijn moeder heb ik een 9 voor mijn toets gehaald

Slide 7 - Slide

doorhebben
snappen hoe iemand of iets echt is.



Ik heb door
Ik had door
Ik heb doorgehad
Als Pinokkio liegt heb je dat meteen door, dan wordt zijn neus veel langer.

Slide 8 - Slide

duidelijk
gemakkelijk te begrijpen,
goed te zien of te horen
Als ik de persoonsvorm moet vind en niet weet hoe dat moet, dan kijk in naar de uitleg. Dan wordt het meteen duidelijk.
Ik zie duidelijk dat deze tekst is geschreven op de kleur groen.

Slide 9 - Slide

ontcijferen
met moeite iets duidelijk lezen en begrijpen, bijvoorbeeld geheimschrift.



Ik ontcijfer
Ik ontcijferde
Ik heb ontcijferd
Kunnen jullie ontcijferen wat er op deze hiërogliefen staat?

Slide 10 - Slide

overhalen
zorgen dat iemand iets doet wat hij/zij eerst niet wilde.



Ik haal over
Ik haalde over
Ik heb overgehaald
Sharon moest Aicha overhalen om hun hut binnen te gaan. Aicha was bang, omdat er was ingebroken.

Slide 11 - Slide

reageren
iets zeggen of doen als antwoord op iets



Ik reageer
Ik reageerde
Ik heb gereageerd
Toen mijn moeder Pas op! gilde, reageerde ik direct.

Slide 12 - Slide

vergelijken
onderzoeken wat anders en wat hetzelfde is.



Ik vergelijk
Ik vergeleek
Ik heb vergeleken
Als je deze twee plaatjes met elkaar vergelijkt, zie je 5 verschillen.

Slide 13 - Slide

voorspellen
zeggen wat er in de toekomst zal gebeuren



Ik voorspel
Ik voorspelde
Ik heb voorspeld
Denk jij dat een waarzegger de toekomst kan voorspellen?

Slide 14 - Slide

de werkelijkheid
dat wat echt bestaat
de werkelijkheid
de manipulatie
Je moet niet alles geloven wat op social media staat.
De werkelijkheid ziet er vaak heel ander uit.

Slide 15 - Slide

Slide 16 - Slide

Waarom maak je een woordtrap?
A
Om woorden beter te leren schrijven.
B
Om woorden beter te onthouden.
C
Om woorden beter uit te spreken.

Slide 17 - Quiz

letter
woord
zin
hetzelfde
tegenovergestelde
groter of meer
wit - grijs - zwart
grijs - wit - zwart
wit - zwart - grijs

Slide 18 - Drag question

Zet de woorden op goede volgorde in de woordtrap.
snikheet
lauw
warm

Slide 19 - Drag question

Zet de woorden op goede volgorde in de woordtrap.
het land
de stad
de wereld

Slide 20 - Drag question

Zet de woorden op goede volgorde in de woordtrap.
slecht
prima
goed

Slide 21 - Drag question

Zet de woorden op goede volgorde in de woordtrap.
glimlachen
schateren
lachen

Slide 22 - Drag question

Zet de woorden op goede volgorde in de woordtrap.
helemaal
uitgebreid
in het kort

Slide 23 - Drag question

Samen lezen
Hierna moet je vragen beantwoorden!

Slide 24 - Slide

Sharon heeft meteen door wie de dader van de inbraak is.
A
waar
B
niet waar

Slide 25 - Quiz

De inbreker heeft geen duidelijke sporen achtergelaten.
A
waar
B
niet waar

Slide 26 - Quiz

Dankzij haar vader weet Sharon hoe je sporen moet verzamelen.
A
waar
B
niet waar

Slide 27 - Quiz

Sharon weet dat Jordy haar een keer stond af te luisteren.
A
waar
B
niet waar

Slide 28 - Quiz

Geheimschrift moet je eerst ontcijferen.
A
waar
B
niet waar

Slide 29 - Quiz

Jordy kan geheimschrift lezen.
A
waar
B
niet waar

Slide 30 - Quiz

De geheime club is niet langer geheim.
A
waar
B
niet waar

Slide 31 - Quiz

Vul het goede woord in.
Sharon droom 's nachts over een boomhut vol inbrekers. In ........... was het er maar één.
A
dankzij
B
werkelijkheid
C
bewijs
D
ontcijferen

Slide 32 - Quiz

Vul het goede woord in.
........... goed speurwerk weet Sharon 
wie de inbreker is..
A
dankzij
B
werkelijkheid
C
bewijs
D
ontcijferen

Slide 33 - Quiz

Vul het goede woord in.
De fietssleutels zijn het ........... dat Jordy de inbreker is.
A
reageren
B
werkelijkheid
C
bewijs
D
ontcijferen

Slide 34 - Quiz

Vul het goede woord in.
Ze had niet gedacht dat hij zo geschrokken zou  ........... op de beschuldiging.
A
reageren
B
werkelijkheid
C
bewijs
D
ontcijferen

Slide 35 - Quiz

aan het werk
leer de woorden van blz 19.

Slide 36 - Slide