Positieve zinnen:
I am (I’m) + werkwoord + -ing
You/We/They are (You’re/We’re/They’re) + werkwoord + -ing
He/She/It is (He’s/She’s/It’s) + werkwoord + -ing
Voorbeeld: “They are playing football.” (Zij zijn aan het voetballen.)
Negatieve zinnen:
I am not (I’m not) + werkwoord + -ing
You/We/They are not (aren’t) + werkwoord + -ing
He/She/It is not (isn’t) + werkwoord + -ing
Voorbeeld: “He is not watching TV.” (Hij is niet aan het tv-kijken.)
Vragende zinnen:
Am I + werkwoord + -ing?
Are you/we/they + werkwoord + -ing?
Is he/she/it + werkwoord + -ing?
Voorbeeld: “Are you coming to the party?” (Kom jij naar het feest?)